De Toekomst van de Stad

De Raad voor de Leefomgeving bereid een advies voor over De Toekomst van de stad. Ter voorbereiding hierop nodigde de raad The Public Matters uit een essay te schrijven over nieuwe media en stedelijke openbaarheid. Dit essay is gepubliceerd in een virtuele bundel op de site van de Raad.

The Public Matters droeg ook bij aan een expert-meeting die de Raad op 20 september organiseerde.

—-

In Amsterdam zijn de stadsparken de afgelopen jaren steeds populairder geworden. Op zonnige dagen zijn ze stampvol met toeristen, joggende buurtbewoners, picknickende allochtone families, en jonge tweeverdieners met een ‘pappa-’ of ‘mammadag’. Zo populair zijn de parken dat ze zelfs ‘uit hun voegen dreigen te barsten’, meldt NRC Handelsblad in mei 2011. Dat komt deels door een nieuwe categorie parkbezoekers: de ‘laptopnomaden’. Wifi, notebooks en mobiele telefoon maken het mogelijk om van het terras van het Blauwe Theehuis, Vertigo of Bakkerswinkel een tijdelijk kantoor te maken. Dat is geen puur Amsterdams fenomeen. De Amerikaans-Japanse antropoloog Mimi Ito zag dezelfde praktijk ook in Tokyo, Londen en Los Angeles en bedacht zelfs een term voor de strategie van professionals uit de creatieve klasse die een prettige werkplek zoeken midden in de stedelijke openbaarheid: ‘camping’.
De opkomst van camping als stedelijke praktijk is een van de vele voorbeelden waaruit blijkt dat de opkomst van digitale en mobiele media de manier verandert waarop stedelingen hun stad gebruiken en ervaren. In dit artikel ga ik in op de vraag wat dit betekent voor de stedelijke openbaarheid. Daarmee bedoel ik die plekken of sferen in de stad waar stedelingen met uiteenlopende achtergronden elkaar tegen kunnen komen, kennis van elkaar kunnen nemen en onderling vertrouwen op kunnen bouwen en die daarmee een essentiële rol spelen in het voortbestaan van de stad als een ‘moderne gemeenschap van vreemden.’ Komen er meer van dat soort plekken, en worden ze wellicht ook intensiever benut, zoals het voorbeeld van de Amsterdamse parken suggereert? Ontstaan er zo nieuwe type bindingen tussen werkenden, buurtbewoners en bezoekers? Of gebeurt het tegenovergestelde? Al die verschillende groepen zijn weliswaar fysiek aanwezig op dezelfde plek; maar via hun mobiele netwerken onderhouden ze vooral bindingen met het eigen sociale netwerk. Past de opkomst van mobiele media zo misschien juist eerder in een bredere ontwikkeling waarin de stedelijke openbaarheid geprivatiseerd wordt, en de stedelijke gemeenschap fragmenteert in een reeks sociale eilandjes?
Ik zal laten zien dat die vrees voor fragmentatie niet geheel onterecht is. Maar tegelijkertijd ontstaan er met de opkomst van digitale media ook nieuwe vormen van stedelijke openbaarheid. Dat gaat deels vanzelf, maar beleid van de overheid om juist die toepassingen van digitale media te versterken die daarin een rol spelen, kan een positief effect hebben. Daarbij liggen interventies en oplossingen niet zozeer in het sociale domein. Juist door ontwikkelingen en (beleids)maatregelen op het gebied van infrastructuur of werk kunnen nieuwe momenten van overlap tussen verschillende levenswerelden in de stad ontstaan.
Laten we eerst kijken naar de verschillende privatiseringstheorieën die de ronde doen over de opkomst van mobiele media. Verschillende onderzoekers hebben er de laatste jaren op gewezen dat de opkomst van mobiele media heeft geleid tot een toename van sociale binding binnen de eigen groep, en dat er minder spontane, terloopse contacten worden gelegd met toevallige voorbijgangers en mensen buiten de eigen sociale groep. Dankzij de mobiele telefoon ontstaat een ‘full time intimate sphere’, concludeerde bijvoorbeeld de Japanse onderzoekster Matsuda in een onderzoek naar het telefoongebruik van Japanse tieners. Die hebben dankzij hun mobieltje het gevoel dat ze hun vrienden altijd met zich mee dragen, en dat zij hen overal in de stad op kunnen roepen. Hun leven speelt zich voor een deel af in een ‘telecocoon’: ook al ben je op een van de drukste plekken in de stad, je kunt je met dank aan de mobiele telefoon gemakkelijk terugtrekken in je eigen ‘capsule.’ Dat blijft niet zonder gevolgen voor de manier waarop de Japanse tieners uit het onderzoek van Matsuda de openbare ruimtes in hun stad ervaren. Ze zien die niet zozeer als een plek waar ze bekenden en onbekenden toevallig tegen kunnen komen of nieuwe contacten op kunnen doen. Eerder ervaren ze de hele stad als een extensie van hun privédomein, waar met de mobiele telefoon afspraken met vrienden worden gearrangeerd.
Onderzoekers Aguiton en Smoreda van Orange Labs – gelieerd aan een Franse telefoonmaatschappij – waarschuwen dat dergelijke ontwikkelingen zich in de toekomst nog scherper af kunnen tekenen. Zij beschrijven de opkomst van softwaretoepassingen die gebruikers – bijvoorbeeld via een app op hun smartphone – plekken in de stad aanraden, gebaseerd op een profiel dat diezelfde software van hen maakt op basis van de plekken die ze eerder hebben bezocht. In de telecomindustrie worden dergelijke toepassingen wel ‘discovery’-diensten genoemd. Aguiton en Smoreda vragen zich echter af ze wel echt tot nieuwe ‘ontdekkingen’ leiden, dat wil zeggen tot contacten en bindingen buiten de eigen groep. Zij vrezen dat het omgekeerde waarschijnlijker is: ‘If the majority of individuals look for places crowded with people similar in age, education, taste, sexual preferences, etc., providing this information can intensify the segregation tendency and, in the long run, contribute to a kind of “ghettoization” of the urban space.’
Deze ‘parochialisering’ van de stad kan nog verder versterkt worden door een bredere trend waarin digitale technologieën ook buiten het sociale domein worden ontwikkeld. In hun boek Splintering Urbanism stellen Stephen Graham en Simon Marvin dat stedelijke infrastructuur meer en meer wordt ontwikkeld vanuit een neoliberale benadering. Dat wil zeggen: infrastructuur is geen gemeenschappelijk netwerk meer waarop alle burgers op basis van gelijkheid worden aangesloten, maar eerder een commerciële dienst, waarbij individuele consumenten per gebruikte eenheid worden afgerekend. Juist digitale technologieën maken dat mogelijk. Denk bijvoorbeeld aan plannen voor een kilometerheffing of het instellen van een ‘congestion zone’ waarbij gebruik van de infrastructuur wordt geregistreerd door camera’s of boordcomputers en er per kilometer of per uur betaald moet worden. In sommige gevallen kan de beprijzing zelfs dynamisch worden aangepast. Hoe drukker het dreigt te worden op de snelweg, hoe hoger de tol, waardoor het verkeer nooit daadwerkelijk tot stil stand komt.
De kritiek van Graham en Marvin op deze ontwikkeling is dat zij ongelijkheid in de hand werkt en een onderscheid creëert tussen verschillende type burgers. Wie rijk is, kan altijd hard doorrijden; wie arm is moet in de rij of de file staan. Daar zou je aan toe kunnen voegen dat dergelijke ontwikkelingen op de lange termijn ook het voortbestaan van de stedelijke openbaarheid ondermijnen. Die bestaat immers uit plekken die door alle – of ten minste uiteenlopende – burgers bezocht worden. Wanneer de stedelijke infrastructuur wordt uitgevent als een verzameling diensten gericht op verschillende klantengroepen, kan het voortbestaan van zulke gemeenschappelijke ontmoetingsplekken gevaar lopen. Graham spreekt zelfs van ‘software sorted geographies’: een laag van software deelt burgers in in verschillende doelgroepen en draagt bij aan een ruimtelijke uitsortering van verschillende groepen stedelingen.
Al deze kritieken moeten we serieus nemen. Maar tegelijkertijd maken mobiele en digitale media het ook mogelijk om op nieuwe manieren overlap te creëren tussen stedelingen met uiteenlopende achtergronden, of zelfs om nieuwe typen stedelijke publieken te organiseren. Laten we daarvoor nog eens goed
kijken hoe de stedelijke openbaarheid functioneert. De essentie van de stedelijke openbaarheid is dat er (vaak kortstondige en toevallige) ontmoetingen tot stand komen tussen stedelingen. Het gaat doorgaans om triviale activiteiten: een kort praatje bij de bakker, elkaar geregeld tegenkomen op straat, van een afstandje naar elkaar kijken op een terras. Het is uit de optelsom van al die ontmoetingen, stelde Jane Jacobs al in de jaren vijftig van de vorige eeuw, dat vertrouwen tussen stedelingen ontstaat. Daar moeten we ook niet te veel van verwachten: al die kortstondige verbindingen leiden niet zozeer tot het ontstaan van een hechte lokale gemeenschap, maar eerder tot een gevoel van wederzijdse (h)erkenning dat het leven in de stad mogelijk maakt.
De crux is dat die bindingen niet ontstaan omdat de gebruikers van die stedelijke openbaarheid daar nu per se komen om vertrouwen op te bouwen of elkaar te ontmoeten. Ieder komt er met zijn eigen doel: de een om een brood te kopen, een ander om een kopje koffie te drinken. Stedelijke openbaarheid ontstaat zo eerder als bijproduct van al die individuele handelingen. Omdat in de fysieke programmering van de stad verschillende functies ruimtelijk met elkaar zijn verweven, komen al die verschillende stedelingen elkaar zo nu en dan tegen. Met andere woorden de stad is een ‘verzameling brandpunten van interactie’ ; ze is een complex systeem waarin vraag en aanbod op allerlei terreinen (handel, informatie, levenswijzen) elkaar via allerlei geïnstitutionaliseerde en gelokaliseerde praktijken weten te vinden. En doordat die praktijken elkaar deels ruimtelijk overlappen, ontstaat er zoiets als de stedelijke openbaarheid, plekken waar allerlei verbindingen tussen verschillende stedelingen kunnen ontstaan. Hierboven zagen we dat de opkomst van digitale media er toe kan leiden dat dergelijke ruimtelijke overlap minder vaak tot stand komt. Dat kan weer leiden tot een afname aan terloopse bindingen tussen stedelingen. Op de lange termijn kan dit zelfs het vertrouwen en de wederzijdse erkenning van verschillen tussen stedelingen ondermijnen.
We zien ook een tegenbeweging. Kunstenaars en beleidsmakers proberen dan juist door middel van digitale media de onderlinge bindingen tussen stedelingen te verstevigen. Stadsdelen richten platforms op voor ontmoeting met en tussen haar burgers. Kunstenaars werken aan digitale kaarten waaraan buurtbewoners hun herinneringen aan fysieke plekken kunnen toevoegen. Bezoekers en andere bewoners kunnen die dan – bijvoorbeeld met een smartphone-app – op de betreffende locaties weer opvragen. Lily Shirvanee hoopt dat dergelijke digitalemediaprojecten die de verschillende perspectieven van stedelingen koppelen aan fysieke locaties bij kunnen dragen aan wat zij ‘social viscosity’ noemt:
This viscosity of space is perceived as a bond that may exist not only between people with established relationships who can find each other ‘on the street’ in a mobile context, but also between strangers, thereby inspiring a new community and, possibly, creating the potential for a more democratized public space.
Het zijn over het algemeen sympathieke projecten, en interessante experimenten. Evenwel, veel van dergelijke virtuele ontmoetingsplaatsen voor buurtbewoners blijven angstvallig leeg. Het is dan ook de vraag of zij niet deels gebaseerd zijn op een denkfout, en doel en middel met elkaar verwarren. Immers: stedelingen komen meestal niet naar de stedelijke openbaarheid met het doel vreemdelingen te ontmoeten. Ze komen er omdat ze er iets anders zoeken. En daarbij is het nu eenmaal onvermijdelijk om contact te leggen met andere stedelingen. Op soortgelijke wijze zullen ook niet alle stedelingen via een digitalemedia-app actief uit zichzelf op zoek gaan naar de perspectieven van hun buurtgenoten met andere achtergronden. Onderzoek naar digitale buurtmedia als mailinglists bevestigt dat vermoeden. Deze mailinglists kunnen de onderlinge bindingen in een wijk wel degelijk verstevigen, net zoals het door Jacobs beschreven alledaagse leven in de stadstraat dat kan. Maar dat is meestal niet het doel van de gebruikers. Ze gebruiken dergelijke media vooral om contact te onderhouden met ‘soortgenoten’ in de wijk. Of om een antwoord te vinden op praktische problemen, zoals het vinden van een oppas. Opnieuw geldt dat juist uit dergelijke alledaagse handelingen een moment van overlap tussen verschillende leefwerelden kan ontstaan. In opkomende wijken in de Nederlandse grote steden draagt bijvoorbeeld een website als Zoekoppas.nl – waar jonge autochtone ouders stuiten op Marokkaanse meisjes uit de buurt die zich aanbieden als oppas – mogelijk meer bij aan de sociale cohesie dan een virtuele ontmoetingsplaats van het stadsdeel. Voor een deel zien we hier het ‘zelfoplossend vermogen’ van de stad: opnieuw zorgt de afstemming van vraag en aanbod – maar nu via digitale media – voor nieuwe vormen van overlap tussen verschillende groepen stedelingen.
Evenwel is het de vraag of dergelijke mechanismes voldoende tegenwicht kunnen bieden voor de opkomst van Grahams ‘software sorting geographies’. Die ontwikkeling vereist dan ook zeker beleidsaandacht. Dat zou op twee manieren kunnen. De eerste manier bouwt voort op de door Graham en Marvin gesignaleerde ontwikkelingen. Zij beschrijven hoe de affordance van digitale technologieën om individueel gebruik van infrastructuur te registreren in dienst wordt gesteld van een neoliberaal economisch model. Maar diezelfde technologieën kunnen ook gebruikt worden om allerlei (infrastructurele) middelen juist weer in collectief beheer te nemen. Ze maken het ook mogelijk om bijvoorbeeld privébezit als een auto open te stellen voor gebruik van buurtgenoten. Digitale technologieën maken het gemakkelijk ritten te registreren, reserveringen te maken, onderling af te rekenen, en kunnen ook zorgdragen voor een reputatiesysteem dat zichtbaar maakt wie wat heeft bijgedragen aan het gezamenlijke doel. Uit het gemeenschappelijk gebruik kan zo een tijdelijk publiek ontstaan van buurtgenoten dat gezamenlijk verantwoordelijk is voor het beheer van de auto, en dat publiek verenigt mogelijk weer stedelingen van verschillende achtergronden. Dergelijke systemen – gebaseerd op het principe van de commons – staan op dit moment in de kinderschoenen, en verdienen beleidsmatige aandacht en ondersteuning.
Een tweede beleidsmatige strategie brengt ons terug bij de Amsterdamse parken en de nieuwe ruimtelijke praktijken als ‘camping’ die we daar tegenkomen. Dit voorbeeld laat zien dat digitale media er ook toe kunnen leiden dat verschillende groepen stedelingen dezelfde ruimtes gebruiken. Juist dankzij het gebruik van digitale media kunnen uiteenlopende groepen stedelingen zich een ruimte eigen maken. Met andere woorden: digitale media fungeren als ‘territory device’ , ze maken het mogelijk ruimtes op een nieuwe manier te ‘programmeren’ – een café wordt voor de ene bezoeker een kantoor, voor een andere even een privé-huiskamer, enzovoorts. Dat biedt – ondanks de ‘telecocoons’ waarin de bezoekers zich zo nu en dan terug kunnen trekken – mogelijkheid om nieuwe vormen van tijdelijke overlap tussen die verschillende groepen tot stand te brengen.
Andersom geldt ook: mobiele media leiden tot nieuwe ruimtelijke praktijken, en door die praktijken op specifieke plekken in de stad te faciliteren is het mogelijk nieuwe vormen van stedelijke openbaarheid in het leven te roepen. Bijvoorbeeld door aantrekkelijke ‘kampeerplekken’ voor laptopnomaden te creëren op plekken waar ook andere groepen stedelingen komen. Maar pas op: dit betekent niet dat de hele stad in het teken gesteld moet worden van de cappuccinostedelijkheid van de creatieve klasse. Het gaat er juist om verschillende types stedelijkheid die verschillende groepen stedelingen aanspreekt bij elkaar te brengen. Daarbij geldt opnieuw: het doel van een dergelijk ruimtelijk ontwerp is niet ontmoeting als doel op zich. Het doel is plekken te creëren waar voor verschillende groepen stedelingen iets te halen valt. Dat is niet eenvoudig, en daarvoor is allereerst meer onderzoek nodig naar veranderende ruimtelijke praktijken van verschillende groepen stedelingen onder invloed van mobiele media. Maar het verhaal van de Amsterdamse parken laat zien dat er ook in de eenentwintigste-eeuwse netwerkstad wel degelijk een toekomst is voor een dergelijke invulling van de stedelijke openbaarheid.

Dit artikel bouwt voort op het promotie-onderzoek De stad als interface; Nieuwe Media en Stedelijke Openbaarheid waarmee Martijn de Waal in januari 2012 promoveerde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Een handelseditie verschijnt begin 2013 bij NAi Uitgevers.

Gebruikte literatuur:

Boomkens, R. Een drempelwereld : moderne ervaring en stedelijke openbaarheid. Rotterdam: NAi Uitgevers, 1998.
Christophe Aguiton, D. C., & Zbigniew Smoreda. ‘Living Maps. New data, new uses, new problems’ In Engaging Data. Cambridge MA: Senseable City Lab, 2009.
Engelsdorp Gastelaars, v., en D. Hamers. De Nieuwe stad Stedelijke centra als brandpunten van interactie. Rotterdam: Nai Uitgevers, 2006.
Graham, S. ‘Software-Sorted Geographies’ in: Progress in Human Geography 29, no. 5 (2005): 562-80.
Graham, S., en S. Marvin. Splintering urbanism : networked infrastructures, technological mobilities and the urban condition. London ; New York: Routledge, 2001.
Hajer, M., en A. Reijndorp. Op zoek naar nieuw publiek domein. Rotterdam: NAi Publishers, 2001.
Hampton, K., en B. Wellman. ‘Neighboring in Netville: How the Internet Supports Community and Social Capital in a Wired Suburb’ in: City & Community 2, no. 3 (2003): 277-311.
Ito, M., D. Okabe, en K. Anderson. ‘Portable Objects in Three Global Cities’: University of Southern California, 2007.
Ito, M., D. Okabe, en M. Matsuda. Personal, Portable, Pedestrian: Mobile Phones in Japanese Life. . Cambridge, MA: MIT Press, 2006.
Jacobs, J. The Death and Life of Great American Cities. London: Pimlico, 2000 [1961].
Johnson, S. Interface Culture. San Francisco: HarperEdge, 1997.
Lange, M. d., en d. M. Waal. ‘Ownerhsip in de hybride stad’. Amsterdam: Virtueel Platform, 2011.
Ling, R. New Tech New Ties. Cambridge, MA: MIT Press, 2009.
Matsuda, M. ‘Mobile Communication and Selective Sociality’ In Personal, Portable, Pedestrian: Mobile Phones in Japanese Life. , edited by M. Ito, D. Okabe en M. Matsuda. Cambridge, MA: MIT Press, 2006.
Shirvanee, L. ‘Locative Viscosity: Traces Of Social Histories In Public Space.’ Leonardo Electronic Almanac,no. 3 (2006), http://leoalmanac.org/journal/vol_14/lea_v14_n03-04/toc.asp.

Deze post is ook beschikbaar in: Engels

Date
This entry was posted on Thursday, September 20th, 2012 and is filed under Lezingen, Nieuwe Media & Stedelijke Cultuur, Nieuws, Publicaties.