In Februari 2012 verscheen Martijn de Waals proefschrift De Stad als Interface, een onderzoek naar de geschiedenis en de toekomst van het stedelijke publieke domein. Hoe is dat publieke domein ontstaan? Welke rol heeft het stedelijke publieke domein in het alledaagse stedelijke leven? Hoe hebben ontwerpers en beleidsmakers geprobeerd dit publieke domein van boven af vorm te geven? En hoe hebben stedelingen er in hun alledaagse leven invulling aangegeven? En welke rol speelt de opkomst van digitale en mobiele media in deze processen? Dat zijn enkele van de belangrijkste vragen die in het proefschrift worden beantwoord.
Een handelseditie is gepland voor het voorjaar van 2013. Zie hier voor meer informatie over het boek, en hoe het te bestellen.
Inleiding
Er zijn in de afgelopen anderhalve eeuw een aantal momenten aan te wijzen waarop het debat over de toekomst van de stad boven zichzelf uitsteeg. Dan ging dat debat niet meer alleen over de praktische toepassing van een opkomende technologie of innovatieve constructiemethode in het stedelijk ontwerp, of over een nieuwe beleidsmatige aanpak om een of ander stedelijk probleem op te lossen. Op die momenten werd de discussie breder gevoerd, en groeide de discussie over de ontwikkeling van de stad uit tot een debat over de toekomst van de stad als samenleving. Op die momenten, beargumenteert de Nederlandse cultuurfilosoof René Boomkens, wordt het debat filosofisch en krijgt het een sterk normatief karakter. Inzet is dan niet zozeer de toekomstige verschijningsvorm van de stad, maar het achterliggende idee van de manier waarop een stad als samenleving zou kunnen of moeten functioneren.[1] De trek van de plattelandsbevolking aan het eind van de negentiende eeuw naar de opkomende industriële metropolen, waar ze onderdak vonden in dichtbevolkte krottenwijken, was zo’n moment. Die ontwikkeling werd niet zozeer benaderd als een praktisch, kwalitatief huisvestingsprobleem dat moest worden opgelost. Architecten en planologen publiceerden manifesten en blauwdrukken voor een allesomvattende stedelijke samenleving. Zo schreef Ebenezer Howard een boek waarin hij het idee van de Garden City uiteenzette. Dat boek bevatte niet alleen schetsen voor rustige suburbs in het groen, zonder de verstikkende rook van de fabrieken. Het boek was ook een politieke blauwdruk voor een nieuwe samenleving die op een nieuwe manier bestuurd moest worden. Ruimtelijk ontwerp en politieke en sociale vernieuwing gingen bij Howard hand in hand. Op soortgelijke wijze zagen dichters en denkers als Baudelaire en enkele decennia later ook Walter Benjamin in het straatleven op de net door Haussmann aangelegde boulevards van Parijs – een dan revolutionaire nieuwe vorm van stedelijke infrastructuur – een nieuw type stedelijke samenleving ontstaan. Een eeuw later leidde evenzo de fenomenale ontwikkeling van autostad Los Angeles niet alleen tot een debat over de vraag hoe de eindeloze files op de freeways het beste opgelost konden worden of hoe de gewelddadige gang-cultuur in South Central moest worden doorbroken. De discussie die onder architecten, planners, sociologen, filosofen, geografen en politici ontstond over Los Angeles werd een pars pro toto voor de postmoderne, ‘laat-kapitalistische’ gefragmenteerde samenleving en alles wat daar hoogst verleidelijk als ook zeer verwerpelijk aan was – variërend van de filosofische kritieken van Jean Baudrillard en Mike Davis tot de verbeelding ervan in populaire Hollywood-films als Escape from LA.
Aan het begin van de eenentwintigste eeuw wacht ons opnieuw zo’n filosofisch moment. Deze keer bestaat de inzet van het debat uit de rol die digitale technologieën en mobiele media zijn gaan spelen in het alledaagse stedelijke leven. Dat debat concentreet zich nu nog veelal op de hypermoderne, verticale ‘technopoles’ die in Azië in razend tempo uit het niets worden opgetroken, zoals bijvoorbeeld New Songdo in Zuid-Korea. Maar het is een discussie die in toenemende mate ook het stedelijk leven aangaat buiten deze hoogtechnologische top-down ontworpen new towns.
In eerste instantie lijkt de rol van digitale en mobiele vooral een praktische aangelegenheid. Het mobiele telefoonnetwerk is dan vooral een nieuwe infrastructuur die ons in staat stelt ons leven handiger te organiseren. Via SMS kunnen we op het laatste moment een afspraak nog even verzetten of tussen alle bedrijven door een kort persoonlijk berichtje sturen aan een geliefde. Met onze smartphones kunnen we handig informatie opvragen over onze omgeving (‘waar is er hier in de buurt een café, restaurant, geldautomaat?’). Dankzij de app van TomTom komen we sneller op onze bestemming, helemaal als de software ook live updates ontvangt en de files weet te omzeilen. Computerbedrijven als IBM en Cisco beloven momenteel zelfs de infrastructuur aan te leggen voor de smart city van de toekomst. Allerlei ‘slimme’ technologieën moeten in de nabije toekomst uiteenlopende processen in de stad in de gaten houden – van de verkeerscirculatie tot de luchtvervuiling – om daar vervolgens zonder menselijke tussenkomst op in te kunnen spelen.
Toch is er meer aan de hand. De nieuwe stedelijke infrastructuur van mobiele en digitale media biedt niet alleen een paar handige toepassingen voor drukbezette stedelingen om hun praktische leven efficiënter te organiseren. De manier waarop we die infrastructuur gebruiken verandert de manier waarop we ons door de stad bewegen, de plekken die we bezoeken, de betekenis die we daaraan toekennen en de contacten die we onderhouden. Die verschuivingen hebben weer grote invloed op de manier waarop we ons sociale, economische en culturele leven vorm geven. De opkomst van de smartphone verandert mogelijk zelfs de manier waarop de stedelijke samenleving als geheel functioneert. Optimisten zien in de opkomst van digitale en mobiele media hulpmiddellen waarmee burgers meer grip op het stedelijk leven kunnen krijgen, en waarmee de banden van lokale gemeenschappen nieuw leven ingeblazen kunnen worden. De Amerikaanse essayist Andrew Blum hoopt bijvoorbeeld dat webloggers die over het leven in hun buurt bloggen de gemeenschapszin in hun wijk nieuw leven in kunnen blazen. Terwijl we via mediatechnologieën aan de ene kant verbonden raken met wereldwijde netwerken, kunnen lokale blogs een rol spelen om tegelijkertijd een band op te bouwen met onze buurt: ‘in a community where common ties are electronically buttressed’, schrijft Blum, ‘we may be able to reap the global environmental benefit of high-density living without sacrificing the local ties of a medium-density neighborhood.’[2] Niet iedereen deelt zijn optimisme. De opkomt van media- en communicatietechnologieën als de mobiele telefoon brengen het voortbestaan van de stedelijke samenleving juist in gevaar, stelt de Amerikaanse architectuurcriticus Paul Goldberger. Gaan stedelingen nog wel relaties aan met hun fysieke omgeving? Nemen ze nog deel aan een gemeenschappelijk leven of trekken ze zich geheel en al terug in de ‘cocons’ die ze creëren met hun mobiele telefoons, daarmee de stad omvormend tot een extensie van hun privédomein? Wie over straat loopt met een mobiele telefoon, claimt Goldberger, neemt geen deel meer aan het straatleven. Je bent er wel, maar je bent er niet. Precies die houding is een bedreiging voor de manier waarop de stad als democratische gemeenschap kan functioneren:
… the street is the ultimate public space and walking along it is the defining urban experience. It is all of us–different people who lead different lives–coming together in the urban mixing chamber. But what if half of them are elsewhere, there in body but not in any other way?[3]
Beide voorbeelden hebben als inzet het functioneren van wat wel de ‘stedelijke openbaarheid’ wordt genoemd: die plekken en sferen in de stad die toegankelijk zijn voor alle stedelingen, en waar stedelingen elkaar ook daadwerkelijk tegenkomen, kennis van elkaar kunnen nemen en met elkaar een publiek, gemeenschap of collectiviteit in enigerlei gedaante vormen. Die stedelijke openbaarheid wordt essentieel geacht voor het voortbestaan van de democratische samenleving. Wordt die nu met de opkomst van digitale en mobiele media in gevaar gebracht? Of bieden deze nieuwe technologieën ook nieuwe vormen voor burgers om met elkaar in contact te komen? In die vraag ligt de kern verscholen van het filosofische debat over de toekomst van de stad. Hoe verschuift door de opkomst van een nieuwe technologie de balans tussen private en publieke sferen? Versterkt de opkomst van nieuwe technologieën het privé-domein en maken nieuwe technologieën het stedelingen gemakkelijker om zich terug te trekken op hun eigen turf? Of versterken ze juist het publieke domein, dat in het teken staat van onderlinge uitwisseling?
Daarbij is het opvallend dat in de discussie over deze vragen voortdurend wordt teruggegrepen op een aantal bekende archetypes van de stedelijke openbaarheid: de zeventiende-eeuwse koffiehuizen uit Londen, zoals beschreven door Habermas en Sennett; de boulevards uit het negentiende-eeuwse Parijs zoals opgetekend door Charles Baudelaire en Walter Benjamin; het straatleven van Jane Jacobs’ West Village in New York uit de jaren vijftig. Blums citaat bijvoorbeeld komt uit een essaybundel die is uitgegeven ter ere van een Jane Jacobs-retrospectief dat enkele jaren geleden in New York plaatsvond. En het kost niet al te veel moeite om in Goldbergers stedelijke ideaal Benjamins flaneur te herkennen. Digitale media, lijkt de conclusie, zijn ofwel onze redding: ze restaureren een stedelijke openbaarheid die kennelijk al decennia in de verdrukking staat; dan wel luiden ze de definitieve ondergang in van het ideaal van een ‘open society’, een democratische samenleving waarin burgers open staan voor elkaar en ondanks al hun verschillen met elkaar tot een vergelijk proberen te komen.
De opkomst van digitale media maakt een dergelijke benadering van de stedelijke openbaarheid ook problematisch. In de hier aangehaalde historische voorbeelden is stedelijke openbaarheid steeds gebaseerd op gelijktijdig ruimtegebruik, en de confrontatie met de fysieke aanwezigheid van anderen die daaruit voortvloeit, hoe triviaal die interactie soms ook mag zijn. Uit een specifiek, meestal historisch gegroeid, gemeenschappelijk ruimtegebruik kan dan een modern stedelijk publiek ontstaan. Wanneer individuele stedelingen deze ruimtes om wat voor reden tegelijkertijd gebruiken, ontstaat er, in Lloyd’s Coffee House in Londen, op de Parijse Boulevard Saint-Germain, of in Lower Manhattans Hudson Street een tijdelijke verzameling stadsburgers die kennis van elkaar neemt, met elkaar in discussie gaat, enkel een praatje maakt, of elkaar slechts observeert. Dat is in essentie de kern van de stedelijke openbaarheid: stedelingen worden er ‘ruimtelijk’ bij elkaar gebracht en vormen met elkaar een (tijdelijk) publiek.
Kenmerkend voor de opkomst van digitale en mobiele media is echter dat de manier waarop stedelijke publieken al dan niet tot stand komen zich niet beperkt tot een ruimtelijk proces dat zich in de stedelijke openbaarheid afspeelt. Immers: we organiseren ons sociale leven via SMS en sociale netwerken, vinden onze bestemming dankzij GPS, krijgen toegang tot het openbaar vervoer en sommige gebouwen met dank aan RFID-chips, terwijl CCTV-camera’s ons gedrag observeren. Tegelijkertijd wordt het digitale leven steeds fysieker: Foursquare, Facebook Places en Google Maps koppelen sociale netwerken en databestanden aan geografische locaties. Al die technologieën spelen een rol in de manier waarop stedelingen verschillende ruimtes gebruiken, al dan niet bij elkaar worden gebracht, notie van elkaar nemen en stedelijke gemeenschappen en publieken kunnen vormen. Een laag aan software, algoritmes, zendmasten, mobiele telefoons, netwerken met uiteenlopende communicatieprotocollen en sensors begint te functioneren als – om een term van de neo-avantgardistische architectuurbeweging Archigram uit de jaren zestig te gebruiken – ‘scene machine’. De manier waarop een stedelijke ruimte wordt ervaren, wordt niet alleen bepaald door de fysieke omgeving zelf en wie daar aanwezig is, maar door de interventies die software en communicatietechnologieën mogelijk maken.
Loopt de stedelijke openbaarheid inderdaad gevaar, nu we de stad om ons heen ‘filteren’ met onze mobiele telefoon die ons enkel op ons ‘profiel’ gebaseerde plekken aanraadt? Nu we geen beleefdheidspraatje meer maken met ons onbekende anderen, maar ons liever verschansen achter het scherm van onze smartphone, ons terugtrekkend in onze ‘telecocoons’? Nu koffiehuizen waar gemeenschappelijk de krant werd bediscussieerd zijn veranderd in Starbucks-filialen met WIFI? Of ontstaan er juist nieuwe ontmoetingskansen en mogelijkheden – denk aan flash mobs en ‘Facebook-revoluties’ – om stedelijke publieken te vormen? Ontstaan er wellicht geheel nieuwe type stedelijke publieken? Is het, met andere woorden, tijd om afscheid nemen van de boulevard als het ultieme ideaal van de stedelijke openbaarheid? En komt er wellicht iets anders voor in de plaats? Om dat te onderzoeken is een verandering van kijken nodig. In plaats van te kijken naar de ruimtelijke kant van stedelijke openbaarheid, stel ik voor om naar de procesmatige kant ervan te kijken. Op welke momenten, op welke plaatsen en via welke technologieën verhouden stedelingen zich tot elkaar? Zo kom ik bij de hoofdvraag van dit boek:
Welke rol spelen digitale technologieën en mobiele media in de manier waarop stedelingen (ruimtelijk) bij elkaar worden gebracht, zichzelf presenteren, en notie van elkaar nemen? Wat betekent dit voor de manier waarop moderne stedelijke publieken tot stand kunnen komen? En wat betekent dit mogelijk voor de manier waarop de stad als samenleving kan functioneren?
In de manier waarop ik deze vraag beantwoord zal ik de notie van stedelijke openbaarheid op een nieuwe manier benaderen. Om het procesmatige aspect van het stedelijke uitwisselingsproces te benadrukken, maak ik gebruik van het frame van ‘de stad als interface’. Een ‘interface’ is een wat technische term die vooral in de computerwereld veel wordt gebruikt. Interface betekent “afstemming vinden”. Een interface is een omgeving waarin twee verschillende systemen op elkaar afgestemd kunnen worden. Het koffiehuis, de boulevard, de straat zijn ook alle drie te begrijpen als ‘interfaces’, plekken waar verschillende stedelingen samenkomen en binnen historische gegroeide sociale conventies hun individuele levens op elkaar af stemmen en mogelijk zelfs op kunnen gaan in een of andere collectiviteit. De term interface verlegt echter de aandacht van het ruimtelijke aspect – het koffiehuis, de boulevard, de straat – naar de vraag van het verhouden zelf. Wie verhouden zich tot elkaar? Hoe worden deze groepen bij elkaar gebracht? Wie wordt er buitengesloten? Volgens welk protocol communiceren de aanwezigen met elkaar, en wie heeft dat bepaald? Wat voor nieuwe publieken of gemeenschappen ontstaan er mogelijk uit dit proces? En op wat voor gemeenschappelijk element zijn die publieken of gemeenschappen gebaseerd? De winst van het kijken naar het stedelijk leven met behulp van het ‘frame’ van de interface is dat we ook allerlei niet-fysieke structuren en praktijken kunnen betrekken in de analyse. Bovendien dwingt dit begrip ook om goed te kijken naar de rol van de interface zelf. De term ‘interface’ is niet alleen een metafoor: onze hedendaagse ervaring van de stad wordt voor een deel ook letterlijk vormgegeven door de interfaces die zijn ontworpen voor onze mobiele telefoons, TomTom en andere apparaten. Die softwarematige interfaces zijn uiteraard geen neutrale omgevingen maar bepalen voor een deel hoe een mogelijke uitwisseling of afstemming tot stand komt. De term laat ons als het ware niet alleen naar de ‘gevolgen’ hiervan kijken – hoe worden mobiele media gebruikt en hoe verandert dat de stedelijke samenleving? –maar ook naar het interface-ontwerp zelf: wat voor stedelijk ideaal belichaamt dit eigenlijk?
Voor ik een antwoord ga zoeken op de hier opgeworpen vragen, wil ik in de rest van deze inleiding eerst een aantal van de hierboven gemaakte punten verder uitwerken. Om te beginnen zal ik de hier centrale notie van ‘moderne stedelijke publieken’ aan een nader onderzoek onderwerpen. Daarna zal ik verder ingaan op de rol van digitale media in de ervaring van de stad. De opkomst van digitale technologieën en mobiele media leiden tot wat Adriana de Souze e Silva ‘hybride ruimtes’ noemt, een stad waar ruimtelijke praktijken en het gebruik van digitale media onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden.[4] Ik zal dat nader toelichten met behulp van het concept ‘technosocial situations’, een begrip van de Japans-Amerikaanse antropologen Mizuko Ito en Daisuke Okabe. Vervolgens zal ik nog wat uitgebreider stilstaan bij het idee van de ‘stad als interface’. Ik zal ook een aantal bredere ontwikkelingen schetsen die direct raken aan het vraagstuk van de stad als interface. Immers, nieuwe technologieën ontstaan niet vanuit het niets. Nieuwe technologieën beïnvloeden weliswaar de (stedelijke) samenleving, maar ze komen er ook uit voort. En de manier waarop ze uiteindelijk gebruikt worden, hangt weer samen met allerlei andere economische en sociale ontwikkelingen zoals globalisering en individualisering. Tot slot zal ik nog kort het belang van dit onderzoek schetsen. In het kort komt dat hier op neer: we bevinden ons midden in het tijdperk waarin allerlei digitale en mobiele technologieën vorm krijgen. De manier waarop ze precies zullen leiden tot nieuwe sociale en ruimtelijke praktijken ligt nog grotendeels open. Wat voor nieuwe moderne stedelijke publieken er zullen ontstaan is daarmee ook nog niet duidelijk. Juist daarom is het nu van belang om de discussie over de rol van deze technologieën te voeren en het debat filosofisch te maken.
Moderne stedelijke publieken
Om uit te leggen wat ik bedoel met ‘moderne stedelijke publieken’ zal ik achtereenvolgens inzoomen op de drie afzonderlijke termen van dit samengestelde concept. Laten we beginnen met het idee van een ‘publiek’. Ik gebruik een definitie van publiek die dicht aanligt tegen de twee betekenissen die het begrip heeft in het alledaagse taalgebruik. Enerzijds is een publiek een verzameling mensen, die al dan niet toevallig een gemeenschappelijke ervaring of een gemeenschappelijk belang deelt. Dat kan een ruimtelijke ervaring zijn – bijvoorbeeld heel letterlijk het publiek dat aanwezig is in een theater. Het kan ook om een gemedieerde ervaring gaan – het publiek van een televisieprogramma. Publiek heeft daarnaast ook de betekenis van ‘openbaar maken’. Iets dat ‘publiek’ is, is toegankelijk voor anderen.[5] Mijn gebruik van het begrip publiek combineert beide elementen. Het Britse koffiehuis uit de zeventiende eeuw illustreert dit begrip het best. Burgers kwamen er naar toe om koffie te drinken, de krant te lezen, maar vooral ook om onder het genot van een kop koffie de onderwerpen uit de krant met elkaar te bediscussiëren. Met andere woorden ze vormden met en voor elkaar een publiek, en maakten tegelijkertijd ook hun eigen opvattingen publiek. Een publiek is dus geen passief collectief, zoals het Engelse begrip ‘audience’ vaak wordt gebruikt. Leden van een publiek zijn afwisselend toehoorder en opvoerder.[6] Een vergelijkbaar voorbeeld vinden we ook op de negentiende-eeuwse boulevards. Marshall Berman omschrijft de boulevard wel als ‘‘the common meeting ground and the communications line’ van de negentiende eeuw.[7] De grote boulevards van Parijs en Sint Petersburg mogen aangelegd zijn vanuit militaire overwegingen, of om de verkeercirculatie te verbeteren, wanneer deze nieuwe infrastructuur er eenmaal is, ontstaan er tal van nieuwe stedelijke praktijken. Burgers uit alle rangen en standen flaneren er over de brede stoepen, langs de verlichte winkels, schuiven aan op de terrasjes, vergapen zich aan de in de etalages uitgestalde koopwaar, en kijken vooral ook naar elkaar. De boulevard groeit zo uit tot een plek waar verschillende groepen stedelingen kennis van elkaar kunnen nemen. Niet door deel te nemen aan het rationele debat zoals in het koffiehuis, maar eerder door non-verbale symbolische communicatie. Met hun kleding, gebruiken en manieren laten stedelingen aan elkaar zien wie ze zijn, tot welke groepen ze behoren. Tegelijkertijd vormen ze ook met elkaar een publiek. De boulevard is opnieuw het podium waarop de bewoners van Parijs en Sint Petersburg zowel opvoerder als toeschouwer zijn. Daarbij kunnen ze niet alleen kennis van elkaar nemen, maar – en dat is cruciaal voor Berman – er kan uit de interactie op de boulevard ook weer een nieuw publiek ontstaan. In een enigszins romantisch betoog schetst hij bijvoorbeeld hoe de boulevards van Sint Petersburg bijdroegen aan een klassenbewustzijn, doordat arbeiders en proletariers er tijdens het flaneren anderen zoals zichzelf herkenden. Uit de wederzijdse herkenning kon een gevoel van verbondenheid en mogelijk zelfs politieke actie ontstaan.
De hier beschreven publieken van het Britse koffiehuis en de Russische Nevski Prospect – de belangrijkste boulevard van Sint Petersburg – zijn ook stedelijke publieken. Beide publieken ontstaan uit historisch gegroeide praktijken die verbonden raakten met specifieke stedelijke locaties. Bij zowel het zeventiende eeuwse Britse koffiehuis als bij de negentiende eeuwse boulevard hoort een set culturele repertoires: een verzameling rollen en handelingen die gekoppeld zijn aan en als passend gelden voor die plek. Die protocollen en repertoires hebben deels weer te maken met de specifiek stedelijke conditie die eruit bestaat dat burgers er zich voortdurend moeten verhouden tot vreemden. Zoals Jane Jacobs schrijft:
Great Cities are not like towns only larger; they are not like suburbs only denser. They differ from towns and suburbs in basic ways, and one of these is that cities are by definition full of strangers. To any one person, strangers are far more common in big cities than acquaintances.[8]
In de moderne stad zijn de bewoners voortdurend omringd met andere stedelingen, die hen niet alleen onbekend zijn, maar ook vaak anders dan zijzelf. En toch zullen ze zich op de een of andere manier tot al die andere stedelingen moeten zien te verhouden. Zo beschrijven de Duitse filosoof Jürgen Habermas en de Amerikaanse socioloog Richard Sennett hoe in de zeventiende en achttiende-eeuwse stad een specifiek publiek ethos ontstaat, dat eruit bestaat dat stedelingen in het openbaar een rol aannemen die ze los weten te koppelen van hun privé-identiteit, waardoor ze in de stedelijke openbaarheid als gelijken met elkaar om kunnen gaan.[9] In het koffiehuis, zo luidt de – ietwat naïeve – conclusie van Sennett en Habermas, was iedereen gelijk. Iedereen had er – ongeacht zijn afkomst – hetzelfde recht van spreken. In haar magnum opus The Death and Life of Great American Cities beschrijft ook Jacobs hoe de kracht van de moderne stad eruit bestaat dat er door gedeeld ruimtegebruik publieken kunnen ontstaan van ‘bekende vreemden’, van mensen die elkaar niet persoonlijk kennen, maar elkaar wel kunnen vertrouwen. Al gebeurt dat volgens haar op een heel andere manier dan in de visie van Sennett en Habermas. Haar publiek ontstaat niet uit het hoogdravende ideaal van afstandelijke rationele discussie, maar juist uit de trivialiteiten van het alledaagse leven.[10] In de stad kan vertrouwen ontstaan uit allerlei alledaagse kleine interacties op straat en in de buurt: een biertje drinken aan de bar van het buurtcafé, advies dat je krijgt van de groenteboer, een vriendelijk knikje naar de buurjongens die op straat zitten. Na verloop van tijd ontstaat uit al die kleine ontmoetingen een gevoel van bekendheid met de publieke rol van verschillende buurtgenoten, de basis waaruit ook vertrouwen kan ontstaan. Er ontstaat, schrijft Jacobs, ‘a feeling for the public identity of people, a web of public respect and trust and a resource in time of personal or neighborhood need.’[11]
Daarmee komen we bij het derde begrip. Het publiek van ‘vertrouwde vreemden’ uit Jacobs buurt is bij uitstek een modern publiek. Het is geen traditionele gemeenschap die alle aspecten van het leven omvat en wordt gekenmerkt door een hoge mate van sociale controle. Jacobs moest niets hebben van nostalgische gemeenschapsidealen, ‘togetherness’ vond ze een misselijkmakend woord. Het moderne stadsleven bestaat voor haar uit individuen die hun eigen levens leiden. Ze maken deel uit van verschillende publieken of gemeenschappen, die elkaar deels overlappen, en deels ook niet. Jacobs buurt is vooral ook een ‘latent publiek’ – iedereen bewaart gepaste afstand tot elkaar, en leert elkaar door herhaalde interactie van een afstand kennen. Alleen in geval van nood kunnen buurtbewoners eventueel een beroep op elkaar doen. Volgens sommige sociologen en filosofen is het moderne publiek dat Jacobs beschrijft onlosmakelijk met de stad verbonden. Juist in de stedelijke openbaarheid van de grote steden konden aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw dergelijke publieken voor het eerst ontstaan. Zo beschrijven de sociologen van de Amerikaanse Chicago School hoe in die tijd grote groepen stedelingen van het platteland naar de stad trokken.[12] Die verhuizing betekende voor velen letterlijk en figuurlijk de aankomst in een nieuwe wereld. Ze lieten de hechte en overzichtelijke traditionele gemeenschappen van het platteland achter zich, en kwamen aan in de grote stad, waar eerder anonimiteit de norm was. Daar wisten ze zich omringd door talloze andere stedelingen, vaak van uiteenlopende afkomst. Die dichtheid en heterogeniteit van de moderne metropool, stelde Louis Wirth, leidde tot de opkomst van nieuwe stedelijke publieken. Stedelingen gingen zich specialiseren, en voor verschillende aspecten van het leven begonnen ze ook deel uit te maken van uiteenlopende gemeenschappen en publieken. Daarbij lag er ook een gevaar op de loer: de stedelijke samenleving zou kunnen fragmenteren in groepen die helemaal geen overlap meer met elkaar hadden. Of de individuele stedeling zou zich zonder overkoepelende collectiviteit waar hij deel van uit maakt ook verloren kunnen voelen:
Density involves diversification and specialization, the coincidence of close physical contact and distant social relations, glaring contrasts, a complex pattern of segregation, the predominance of formal social control, and accentuated friction, among other phenomena. Heterogeneity tends to break down rigid social structures and to produce increased mobility, instability, and insecurity, and the affiliation of the individuals with a variety of intersecting and tangential social groups with a high rate of membership turnover.[13]
In Een drempelwereld beschrijft René Boomkens hoe de aankomst in de moderne stad tegelijkertijd als een bevrijding, als ook als een verlies werd ervaren. De stad beloofde een ontsnapping aan de knellende banden van de traditionele samenleving, maar bood ook de opdracht om op de een of andere manier met al die andere stedelingen samen te leven. Zoals Boomkens schrijft:
Die ontsnapping is in eerste instantie een bevrijding, de aankomst in de nieuwe wereld, de moderniteit, de stad, enzovoorts, maar maakt van die nieuwe vrijheid tegelijk een geheel nieuwe opdracht: niet alleen de opdracht te leven zonder de beschermende ring van traditie en dorpse verhoudingen, maar vooral ook de opdracht te leven met tientallen, duizenden, miljoenen andere individuen in een open en vaak chaotische anonieme cultuur.[14]
De stedelijke openbaarheid speelt in dat proces een cruciale rol, beargumenteert Boomkens in Een Drempelwereld, waarin hij onder meer het stedelijk leven van de Parijse Boulevard aan het begin van de twintigste eeuw beschrijft. Juist doordat stedelingen op de boulevard een deel van hun eigen leven publiek maken en het publieke leven van andere stedelingen kunnen observeren, verkrijgen ze kennis over elkaar en kunnen ze tijdelijk deel uitmaken van nieuwe collectiviteiten. ‘De stad’, concludeert Boomkens, ‘schept dankzij haar openbare ruimte een bijzonder sfeer waarin individuen tegelijkertijd meer zijn dan alleen onderdanen van een bepaalde staat en meer dan alleen anonieme en abstracte actoren op een mondiale markt. […] de stad schept een gemeenschap van vreemden.’[15]
De stedelijke openbaarheid kan zo worden begrepen als het podium of ‘platform’ waarop stedelingen laten zien wie ze zijn, bekend kunnen raken met de levenswijze van anderen en zich met hen kunnen vergelijken. Ze kunnen er samen met anderen opgaan in nieuwe collectiviteiten of zich juist van andere stedelingen onderscheiden, en dat alles zonder dat er een overkoepelende collectiviteit ontstaat die alle aspecten van het dagelijks leven beheerst.
Ruimtelijke confrontatie speelt daarbij een doorslaggevende rol, maar toch is de stedelijke openbaarheid nooit een puur fysiek fenomeen geweest. Habermas beschrijft bijvoorbeeld hoe in zijn zeventiende en achttiende-eeuwse koffiehuizen kranten een belangrijke plek innamen. Krantenberichten werden bediscussieerd en vaak werd een verslag van de discussie weer als ingezonden discussiestuk naar de krant verstuurd. Zo vormde de krant een schakel tussen de discussies in verschillende koffiehuizen. En deelnemers aan de discussies konden zich onderdeel wanen van een groter publiek. Ze vormden wat Benedict Anderson een ‘imagined community’ noemt: een publiek of gemeenschap waarvan de leden elkaar niet allemaal persoonlijk kennen, maar zich wel een voorstelling kunnen maken van het bestaan van lotgenoten met wie ze zich verbonden voelen.[16] Wie in een koffiehuis meedoet aan de discussie, kan zich voorstellen dat er op dat moment in andere koffiehuizen ook over dezelfde thema’s uit dezelfde krant wordt gediscussieerd, ook al kent hij het daar aanwezige publiek niet. Hij maakt niet alleen deel uit van het lokale publiek, maar wordt onderdeel van een veel groter publiek van burgers die discussiëren over het algemeen belang. Stedelijke publieken kunnen dan voor een deel ook ‘imagined communities’ zijn. Ze kunnen door een gelijktijdige fysieke aanwezigheid in het leven worden geroepen, maar ze vormen zich ook deels rond een gedeelde symbolische kern of praktijk waarbij leden zich verbonden kunnen voelen met een veel groter publiek dan alleen diegenen die direct fysiek aanwezig zijn. In de hoofdstukken 2 en 4 zal ik uitgebreider ingaan op de verschillende noties van stedelijke publieken en hoe die precies in de stedelijke openbaarheid gevormd en onderhouden worden.
Hier wil ik tot slot nog iets zeggen over de verhouding tussen de begrippen ‘publiek’ en ‘gemeenschap’. Zoals ik hierboven heb laten zien gebruik ik de term publiek voor een groep mensen met een gedeelde ervaring of belang. De banden tussen publieksleden kunnen daarbij variëren van affectief en diepdoorleefd tot pragmatisch en oppervlakkig. Publieken ontstaan uit collectieve actie en moeten ook in stand worden gehouden door het opvoeren van gemeenschappelijke praktijken of rituelen. Ze ontstaan rond een issue, een idee, een gevoel van verbondenheid, het delen van een kortstondige ervaring, en kunnen na verloop van tijd ook weer uiteen vallen.[17] Daarmee vertoont mijn invulling van ‘publiek’ overeenkomsten met de manier waarop ook wel het begrip ‘gemeenschap’ wordt gebruikt om een sociaal collectief aan te duiden of een groep mensen met een gedeelde identiteit. Al staat mijn invulling van het begrip publiek wel tegenover het idee van de traditionele gemeenschap: het idee van een dwingend collectief dat aan de leden van de gemeenschap vooraf gaat en een allesomvattend kader biedt voor het leven van haar leden. Ik geef hier de voorkeur aan de term ‘publiek’ omdat ik voor dit onderzoek de performatieve kant van publieken/gemeenschappen wil benadrukken. De stedelijke openbaarheid, zo hebben we gezien, speelt een belangrijke rol als het podium waarop stedelingen hun levenswijze ‘publiek maken’ en met elkaar publieken vormen en onderhouden. Daarbij zijn hier twee aspecten van belang. Ten eerste: waar we ons leven publiek maken – het podium of platform waarop we dat doen: de boulevard, Facebook of een combinatie van beide als we via Facebooks ‘status update’ of Twitpic laten zien wat we op de boulevard aan het doen zijn. Ten tweede: wat we precies publiek maken, of met andere woorden het symbolische aspect van de communicatie. Juist uit dit ‘wat’ kunnen overeenkomsten en verschillen duidelijk worden tussen stedelingen (denk aan de revolutionair gestemde arbeiders die elkaar herkennen op de boulevard), en het kan het symbolische hart worden waarop een publiek is gebaseerd of waar rond omheen een gemeenschap kan worden voorgesteld. Daarbij zullen we zien dat ‘waar’ en ‘wat’ vaak innig met elkaar verbonden zijn. Specifieke ‘waars’ (het koffiehuis) zijn verbonden met specifieke protocollen (rationele discussie). De specifieke plek waar we ons bevinden bepaalt deels wat we publiek maken, of andersom kan het ‘waar’ waar we ons bevinden iets vertellen over ‘wat’ of wie we zijn.
Met de notie van een publiek wil ik ook onderstrepen dat in het stedelijke leven verschillende rollen en sferen nauw met elkaar verweven zijn. Dat wil zeggen: een koffiehuis mag dan in theorie een arena zijn voor het rationele politiek debat, het is tegelijkertijd ook een culturele arena, waar bepaalde stedelijke groepen hun maatschappelijke status bestendigen. Andersom: plekken in de stad die in het teken staan van alledaagse, haast triviale activiteiten zijn niet alleen plekken voor culturele uitwisseling, ze kunnen ook worden gezien als politieke arena waar machtsverhoudingen worden bestendigd of ter discussie worden gesteld, bijvoorbeeld omdat er een symbolische strijd tussen groepen wordt gevoerd. De manier waarop ik de term ‘publiek’ gebruik omvat al die uiteenlopende mogelijke combinaties. Soms hebben publieken vooral een politiek doel, dan weer zijn ze vooral gericht op het bestendigen van een collectieve identiteit, soms lopen die twee sterk in elkaar over, soms ook niet. Met het concept van ‘moderne stedelijke publieken’ probeer ik recht te doen aan die realiteit.
De ‘hybride stad’
Gelijktijdig gedeeld ruimtegebruik is weliswaar niet een allesbepalend maar wel cruciaal element in de manier waarop de hierboven beschreven moderne stedelijke publieken tot stand komen. Het is in fysieke situaties dat stedelingen kennis van elkaar nemen, met elkaar worden geconfronteerd, en al dan niet een publiek met elkaar vormen. “Word does not move around where public characters and sidewalk life are lacking”, stelde Jane Jacobs vijftig jaar geleden.[18] Zonder straatleven met haar kortstondige ontmoetingen kan ook geen publiek ontstaan van ‘bekende vreemden’, meende ze. Maar wat gebeurt er als het woord zich wél weet los te zingen van de stoep? Als de stadsstraat of boulevard niet meer de enige ‘interface’ is voor alledaagse sociale interactie in de stad, en de stad een ‘hybride stad’ wordt waarin digitale media onlosmakelijk verbonden zijn met de ervaring van plaats?[19] Hoe veranderen digitale technologieën en mobiele media de ervaring van de stedelijke openbaarheid?
Nu hebben mediatechnologieën direct of indirect altijd al een rol gespeeld in de manier waarop de moderne stedelijke openbaarheid functioneert, op zowel positieve als negatieve wijze. Habermas betoogde niet alleen dat kranten een belangrijke rol speelden bij het ontstaan van de moderne stedelijke openbaarheid, maar ook hoe later de opkomst van de massamedia haar weer ondermijnden. Televisie maakte volgens hem van mediaconsumptie een geïndividualiseerde praktijk, die plaats vindt in het privédomein, waarbij het publiek bovendien werd gereduceerd tot passieve ontvanger. Mediatechnologieën werden lange tijd ook wel benaderd als ‘plaatsloze’ technologieën, met een ontruimtelijkend effect. Begin jaren tachtig zette Joshua Meyrovitz in zijn baanbrekende studie No Sense of Place uiteen dat de opkomst van televisie leidde tot nieuwe ‘sociale situaties’, waarbij het ‘waar’ er niet meer toe deed. Publieken vormden zich rond het televisie-apparaat, en het was via het scherm in de huiskamer dat burgers kennis namen van grote evenementen als ook van de alledaagse besognes van hun medeburgers. Daar werden publieken onderhouden, en konden ook nieuwe typen publieken ontstaan – daar was geen boulevard meer voor nodig.[20] Met de opkomst van internet begin jaren negentig kreeg die gedachte een nieuwe impuls. Zo betoogde ‘digitale guru’ Nicholas Negroponte lange tijd dat ‘anytime, anything, anywhere’ het leidende principe van de ‘digitale revolutie’ was. Dankzij netwerktechnologie zouden we waar we ook waren toegang tot alle informatie kunnen krijgen die we nodig hadden. Plaats was passé:
..- the post-information age will remove the limitations of geography. Digital living will include less and less dependence upon being in a specific place at a specific time, and the transmission of place itself will start to become possible.[21]
Publieken en gemeenschappen zouden zich op internet gaan vormen, en als plaats er niet meer toe zou doen, dan zouden daar vooral publieken ontstaan die zijn gebaseerd op gemeenschappelijke interesses, een idee dat werd uitgedragen in onder meer het boek The Virtual Community van Howard Rheingold.[22] Al deze theorieën bevatten waardevolle elementen die laten zien dat de manier waarop moderne publieken worden gevormd een complexe aangelegenheid is. De overeenkomst van de hier genoemde theorieën is dat ze de nadruk leggen op het afnemende belang van de stedelijke openbaarheid in die processen.
Mijn focus hier ligt op een omgekeerde beweging die zich in het afgelopen decennium heeft afgetekend. We zien een groot aantal digitale en mobiele mediatechnologieën opkomen die juist weer nadrukkelijk gekoppeld zijn aan de ervaring van fysieke plaatsen. Het zijn technologieën die juist ingrijpen op de manier waarop de stedelijke openbaarheid functioneert, als onderdeel van het complexe proces waarin moderne publieken worden gevormd en onderhouden. Dat is geen eenduidige ontwikkeling. Er is niet één duidelijk te benoemen technologie die door een enkele instantie wordt uitgerold. Er is juist sprake van een wirwar aan technologische standaarden, ontwikkelaars en partijen met uiteenlopende belangen die bij deze ontwikkeling betrokken is. Kijk alleen maar eens naar het aantal uiteenlopende termen dat in de discussie wordt aangeroepen. Verschillende type netwerken en protocollen, vaak aangeduid met 3 en 4-letter acronymen zoals RFID, WIFI, GPRS, GSM, G3, GPS, leiden tot een uiteenlopende verzameling van praktijken en benaderingen die inmiddels bekend zijn onder labels als locatieve media, ubiquitous computing, urban informatics, pervasive computing, situated technologies, the sentient city, the internet of things, location based services, augmented reality, ambient intelligence, enzovoorts.[23] Al die verschillende termen zijn verbonden met verschillende ontwerpdisciplines, commerciële praktijken, artistieke discours en regelgevende instituties die zich met digitale technologie en het stedelijk leven bezig houden, ieder met zijn eigen idealen, doelen en benadering van het stedelijk leven. Overheden hopen de stad veiliger te maken met beveiligingscamera’s. Politici verwachten dat nieuwe digitale diensten de kloof tussen burger en bestuur kunnen verkleinen, telefoonproviders denken met gepersonaliseerde locatiediensten meer omzet te kunnen maken, sociaal-werkers hopen dat digitale interventies in de publieke ruimte het wederzijds begrip en vertrouwen tussen verschillende bevolkingsgroepen kan versterken. Kunstenaars gebruiken de technologieën weer om de ‘controlemaatschappij’ die ze tot gevolg zou hebben te bekritiseren. En burgers, bedrijven en consumenten gebruiken de technologieën vervolgens weer op hun eigen vaak totaal onvoorziene manier.
Het is ondoenlijk om een enkele sluitende definitie te geven van digitale technologieën en mobiele media die een rol spelen in het stedelijk leven. Toch kunnen we wel iets zeggen over het totaal van deze ontwikkelingen. Om de mogelijke rol van verschillende digitale technologieën en mobiele media in het stedelijk leven te duiden maak ik gebruik van het begrip ‘affordances’[24]. Een affordance is het best te vertalen als een ‘latente mogelijkheid’ die het een of andere proces kan faciliteren. Verschillende technologieën hebben allemaal hun eigen kenmerken en eigenschappen, maar dat zegt nog niet zo veel over de vraag of en hoe die ook daadwerkelijk benut gaan worden. Aan de ene kant zijn er de technologische mogelijkheden van de technologie zelf en de gedachte van waaruit die is ontworpen: wat is er puur technisch gezien mogelijk met deze technologie, welke mogelijkheden en beperkingen kent het ontwerp? Aan de andere kant is er de rol van de gebruiker: hoe gaat hij die technologische mogelijkheden daadwerkelijk benutten? Dat proces van ‘appropriatie’ is gecompliceerd. Welke ‘affordances’ sluiten er aan bij de culturele praktijken van het dagelijkse leven van de gebruiker en worden door hem omarmd? Welke beloven zijn wensen en verlangens te vervullen? Welke wekken er wellicht nieuwe wensen en verlangens op? Daarbij kunnen eigenschappen die voor een specifiek doel zijn ontworpen, door gebruikers op een heel andere manier worden ingezet. Tegelijkertijd blijven andere mogelijkheden wellicht onbenut omdat de gebruiker er geen weet van heeft, of er geen interesse in heeft. Ook andere factoren kunnen een rol spelen. Bepaalde technologische mogelijkheden kunnen bijvoorbeeld door wetten worden verboden of door marketing of bestaande sociale conventies worden ontmoedigd of juist gepromoot.
Dit proces van ontwerp en appropriatie van technologische affordances is een studie op zich, en de precieze manier waarop dit proces verloopt valt buiten het onderwerp van deze studie. Ik wil hier een serie affordances benoemen die op twee manieren een rol kunnen gaan spelen in de manier waarop het stedelijk leven vorm krijgt.[25] In de eerste plaats hebben digitale en mobiele media in een stedelijke omgeving de affordance om gebruikt te worden als een ‘schrijfgereedschap’. Ze kunnen worden gebruikt om stedelijke ervaringen te registreren en te delen met anderen. Via sociale media of weblogs kunnen stedelingen de ervaringen die ze op specifieke plaatsen op hebben gedaan delen met vrienden, bekenden en zelfs onbekenden die niet op die plek aanwezig zijn. Ze kunnen foto’s maken en die met behulp van GPS-tags uploaden zodat ze op kaarten zichtbaar worden. Allerlei mediabestanden kunnen voorzien worden van geografische coördinaten, waardoor ze aan specifieke locaties gekoppeld kunnen worden. Andere technologieën kunnen automatisch vastleggen wat er in een ruimte gebeurt. Sensors en camera’s kunnen registreren wie of wat er op een bepaalde plek aanwezig is, bijvoorbeeld met behulp van gezichtsherkenningssoftware of door middel van rfid-chips. Stedelijke ervaringen, herinneringen, verhalen, gebeurtenissen, enzovoorts kunnen dus op allerlei manieren bewust en onbewust worden vastgelegd, opgeslagen in databases en op het moment zelf of later op allerlei uiteenlopende manieren weer publiek worden gemaakt.
Een tweede serie affordances maakt het mogelijk om digitale en mobiele media in te zetten als een ‘territory device’ – een apparaat of systeem waarmee de ervaring van een stedelijke ruimte kan worden beïnvloed. Om te beginnen kunnen op een specifieke locatie de databestanden die aan die locatie zijn gekoppeld weer worden opgevraagd. Het wordt mogelijk te zien wie er gisteren op een plek was, wat voor verhalen of herinneringen afwezige anderen aan die plek hebben, enzovoorts. Daarmee kan de ervaring van een plek zich dus uitstrekken buiten die van het hier en nu. Ook kan met behulp van bijvoorbeeld de mobiele telefoon op een plek contact gezocht worden met afwezige vrienden of bekenden. De Japans-Amerikaanse antropologen Mizuko Ito en Daisuke Okabe noemen de mobiele telefoon ook wel een ‘membraan’. De mobiele telefoon, stellen zij in hun studie Personal, Portable, Pedestrian: Mobile Phones in Japanese Life, is niet zozeer een ‘portal’ die ons van een fysieke situatie teleporteert naar een virtuele wereld, maar eerder een ‘membraan’ waarmee we gemedieerde contacten toe kunnen laten in onze omgeving en waarmee we de aanwezigheid van afwezige anderen of mediabestanden in het hier en nu kunnen reguleren.[26] Daarmee kunnen we ook de aard van een stedelijke situatie veranderen, stelt de Japanse antropologe Fujimoto. Door in een openbare ruimte te bellen met een vriend, trek je je tijdelijk terug in een privéruimte. ‘The keitai [de Japanse term voor mobiele telefoons, mdw] is a jamming machine’, schrijft ze, ‘that instantly creates a territory – a personal keitai space – around oneself with an invisible minimal barricade.’[27] Stedelingen kunnen dus virtueel afwezige anderen toelaten tot een fysieke locatie en daarmee de ervaring van een plek veranderen. Andersom zijn er ook digitale mediasystemen die de fysieke toegang tot een plek kunnen reguleren. Denk daarbij aan pasjes waarmee de deur van een kantoortoren of collectieve binnenruimte van een gebouw geopend kan worden. Of denk aan camera’s in trams die met behulp van software gezichten kunnen herkennen en een signaal afgeven wanneer iemand de tram inkomt die een OV-verbod heeft. Ook op subtielere wijze kunnen technologische systemen de ervaring van een plek veranderen. Denk bijvoorbeeld aan interactieve urban screens in de vorm van reclamezuilen waarbij – door het toepassen van gezichtsherkenningssoftware die ‘analyseert’ tot welke doelgroep (man of vrouw, leeftijd, enzovoorts) een voorbijganger behoort – de advertentie wordt aangepast. Verschillende passanten zien steeds een andere inhoud.
Wat betekent het mogelijke gebruik van deze ‘affordances’, al dan niet in combinatie met elkaar voor de manier waarop we het stedelijk leven ervaren? Daarvoor kijk ik vanuit twee perspectieven naar de stad. Als we kijken naar de mogelijke toepassingen voor stedelijke locaties, dan zien we een opkomst van technologieën die kunnen registeren wat daar gebeurt, wie of wat er aanwezig is en daarop kunnen reageren door de omgeving aan te passen of al dan niet toegang te verlenen. Zo spelen deze grotendeels onzichtbare technologieën dus een rol in de manier waarop stedelingen al dan niet fysiek bij elkaar worden gebracht, en hoe ze in een fysieke setting worden aangesproken. De stad, concluderen Crang en Graham, wordt een ‘Sentient City’, een entiteit op zichzelf die waarneemt wat er gebeurt en daar op kan reageren. De ervaring van een plek wordt dan een ‘haze of software as much as a constellation of bricks and mortar’. Ik deel deze observatie, maar voeg daar tegelijkertijd aan toe dat het slechts de halve waarheid is. Want we doen er de stedeling zelf mee tekort. Software en bakstenen creëren dan misschien nu samen de voorwaarden waaronder een stedelijk publiek in het leven geroepen kan worden. Maar ook de stadsbewoner zelf beschikt over allerlei mogelijkheden om met behulp van digitale en mobiele technologie zijn omgeving vorm te geven. Als we het perspectief verleggen van de stedelijke ruimte naar dat van de individuele stedeling dan zien we dat digitale en mobiele technologie stedelingen ook de mogelijkheid bieden om de ervaring van een locatie te personaliseren, bijvoorbeeld door een eigen soundtrack te kiezen op de iPad, of door via de mobiele telefoon contact te maken met afwezige anderen. Waar je ook bent in de stad, je eigen netwerk van vrienden en familieleden kan met een druk op de knop worden geactiveerd.
Bij elkaar leiden deze twee perspectieven (van plek en van persoon) ertoe dat we stedelijke openbaarheid niet meer als een fysieke situatie kunnen begrijpen. We moeten de rol die technologie speelt bij de manier waarop stedelijke publieken ontstaan als onlosmakelijk verbonden zien met de fysieke ervaring van de stad. Ito en Okabe introduceren daarvoor de term ‘technosocial situations’:
…more and more social orders are built through the hybrid relation between physically co-located and electronically mediated information systems. […] We believe that it is crucial to remain attentive to the local particulars of setting, context and situation in the face of these translocal flows. […] Mobile phones create new kinds of bounded places that merge the infrastructures of geography and technology as well as technosocial practices that merge technical standards and social norms.[28]
Samenvattend: het idee van de technosocial situation als basisconditie van de stedelijke ervaring is verbonden met twee belangrijke tegengestelde ontwikkelingen. Enerzijds is er sprake van een zekere ontruimtelijking van de stedelijke ervaring. Wat op een locatie gebeurt, kan via de affordances van netwerktechnologieën ook op andere plekken worden ervaren. Digitale media kunnen daarbij worden ingezet als ‘schrijfgereedschap’. Anderzijds functioneert onder meer de mobiele telefoon als een ‘territory device’ waarmee juist de actuele ervaring van een plek kan worden beïnvloed.
Deze ontwikkelingen hebben ook gevolgen voor de manier waarop stedelijke publieken kunnen ontstaan. Verschillende auteurs spreken van het ontstaan van ‘networked publics’: publieken waarvan de onderlinge banden deels door middel van digitale en mobiele media worden onderhouden. De netwerktechnologieën die deze publieken mede mogelijk maken spelen daarbij een belangrijke rol, stelt de Amerikaanse sociale netwerkenonderzoeker Danah Boyd. Ze spelen een rol in de manier waarop stedelingen toegang krijgen tot allerlei plekken en de manier waarop ze er als individu of collectief worden aangesproken. Ze maken het mogelijk de ruimte te personaliseren en contacten te leggen zowel met anderen die op een ander moment op die plek aanwezig waren, als ook met fysiek afwezige personen. De manier waarop die connecties en filtermechanismes precies werken hangt deels af van de architectuur van de software. De eigenschappen van de onderliggende medianetwerken beginnen zo een belangrijke rol te spelen in de manier waarop publieken gevormd kunnen worden. ‘As a form of architecture’, schrijft Boyd, ‘networked publics are regulated by the properties of bits. These properties configure the structure of networked publics, introduce new possible practices, and shape the interactions that take place.’ [29]
De stad als interface
Stedelijke publieken kunnen ontstaan uit het samenspel van stedelijke ruimtes, sociale praktijken en het gebruik van digitale technologieën en mobiele media. Om grip te krijgen op die ontwikkeling stel ik voor om ‘stedelijke openbaarheid’ te bezien via het idee van de stad als ‘interface’: een (complex) sociaal systeem waarin (groepen) stedelingen hun levens op elkaar ‘afstemmen’.[30] Waarom is dit wat technocratische begrip van toepassing op het stedelijk leven? Daarvoor zie ik een aantal goede redenen. In de eerste plaats bestaat de dynamiek van het stedelijk leven altijd al uit een opeenstapeling van allerlei afstemmingsprocessen. Het alledaagse leven draait voor een groot deel om het vinden van afstemming tussen individuele en collectieve identiteiten, tussen heden en verleden, en tussen de belangen en interesses van verschillende stedelijke collectieven. Stedelijke openbaarheid speelt zo altijd al de rol van een ‘interface’. Deze benadering van de stad als interface vinden we bijvoorbeeld terug in het werk van Manuel Castells. Voor Castells is de stad een materiële neerslag van sociale verhoudingen, en vormt zo een plek waar individuen zich tot die sociale representaties kunnen verhouden:
Cities have always been communication systems, based on the interface between individual and communal identities and shared social representations. It is their ability to organize this interface materially in forms, in rhythms, in collective experience and communicable perception that makes cities producers of sociability, and integrators of otherwise destructive creativity.[31]
Meer concreet: specifieke sociale, culturele en economische praktijken, tradities, machtsverhoudingen krijgen in de stad een materiële vorm: de markt, een kerk, het stadhuis, een plein waar diverse manifestaties worden gehouden. Door die stedelijke ruimtes te gebruiken leren stedelingen zich al doende de logica van die verschillende sociale systemen eigen te maken. Ze kunnen hun individuele levenswijze afstemmen op de collectieve gebruiken en praktijken, dan wel proberen de collectieve ritmes af te stemmen op hun individuele wensen. Ze kunnen zich vereenzelvigen met de ritmes van de stedelijke samenleving, of zich er juist tegen verzetten. De fysieke stad is een ‘interface’ – collectieve praktijken krijgen er beslag, en wanneer de collectieve praktijken veranderen, verandert de vorm en betekenis van de fysieke omgeving ook weer mee.
De tweede reden dat ik kies voor de benadering van ‘de stad als interface’ is dat interfaces letterlijk een belangrijke rol beginnen te spelen in het stedelijk leven. Stedelingen ervaren de stad om hen heen in toenemende mate via de softwarematige omgevingen van computer- en mobieletelefoonscherm. Processen van afstemming vinden niet meer alleen ruimtelijk plaats, maar worden gemedieerd door de interfaces van bijvoorbeeld sociale netwerken, weblogs en locatiediensten. Daarmee komen we bij het derde punt. De term interface vestigt ook de aandacht op het proces van mediatie dat via de interface plaatsvindt. De software die draait op de mobiele telefoon is geen neutrale omgeving. De manier waarop die is geprogrammeerd, de restricties en mogelijkheden die ze biedt, bepaalt mede de manier waarop we onze omgeving ervaren. In de term interface ligt een notie besloten van wat Bruno Latour een ‘mediator’ noemt: ‘’mediators transform, translate, distort and modify the meaning or the elements they are supposed to carry.” [32]
Met het gebruik van de term ‘interface’ verleg ik dus de nadruk van de plaats (stedelijke openbaarheid, de boulevard) waar de afstemming plaats zou moeten vinden, naar het proces van afstemming vinden zelf. Dat voorkomt ook dat we bij voorbaat een teloorgang van de stedelijke openbaarheid moeten vaststellen. Immers, critici wijzen er al decennia op dat allerlei sociaal-economische ontwikkelingen het bestaan van gemeenschappelijke uitwisselingsplekken voor alle stedelingen onder druk zetten. De automobiel, de televisie, de opkomst van winkelcentra en gated communities en recent ook de mobiele telefoon: ze bedreigen allemaal het voortbestaan van openbare ontmoetingsplaatsen en brengen het voortbestaan van de stad als gemeenschap in gevaar. Het probleem van deze beschouwingen is niet dat de kritiek onterecht is: zonder momenten van uitwisseling, conflict en afstemming kan een stedelijke gemeenschap inderdaad niet bestaan. Het probleem ligt in het ruimtelijke begrip van stedelijke openbaarheid. Het frame van ‘de stad als interface’ biedt daarentegen de mogelijkheid om te onderzoeken of door de opkomst van digitale en mobiele media de processen van ‘afstemming’ al dan niet op nieuwe manieren en mogelijk in onverwachte sferen opduiken, zonder ons ook direct uit te leveren aan het techno-optimistische vertoog van de digitale utopie. Het ‘frame’ van de stad als interface, geeft handen en voeten aan de hoofdvraag van dit onderzoek: Welke rol spelen digitale media in de manier waarop stedelijke publieken tot stand kunnen komen? Deelvragen die daarbij een rol gaan spelen zijn dan: Wie verhouden zich tot elkaar? Hoe en onder welke categorische noemer worden deze groepen bij elkaar gebracht? Wie wordt er buitengesloten? Welke rol spelen fysieke ruimtes en mediatechnologieën hierin? Hoe en door wie worden de verschillende groepen benoemd en aangesproken? Volgens welk protocol communiceren ze met elkaar, en wie of wat heeft dat bepaald? Wat voor nieuwe publieken of gemeenschappen ontstaan er mogelijk uit dit proces? En op wat voor gemeenschappelijk element zijn die publieken of gemeenschappen gebaseerd?
Vier samenhangende aspecten spelen daarbij een rol: platform, programma, filter en protocol. Met platform bedoel ik de omgeving waarin stedelingen bij elkaar worden gebracht, hun leven publiek maken en op elkaar af kunnen stemmen. Dat kan een fysieke omgeving zijn: een straat of een plein kan als platform fungeren, maar net zo goed kun je denken aan een softwarematige omgeving zoals het operating system van een smartphone.
Daarbij krijgt een platform doorgaans pas nut met dank aan het programma: een specifieke invulling van het platform. Dat kan een bouwkundig programma zijn (een straat kan worden ontworpen met ‘winkels in de plint’ of juist een exclusieve woonfunctie krijgen), een sociaal programma (een buurthuis waar activiteiten worden georganiseerd), of een software programma (een Facebook app voor op de iPhone). Zo’n programma legt de publieken die zij in het leven roept altijd een zekere orde op. Bijvoorbeeld via de Facebook app krijgt de communicatie vorm via de in het programma ingebakken mogelijkheden en beperkingen. Bij Facebook kun je bijvoorbeeld iets over je identiteit onthullen door steekwoorden in te vullen in een aantal door Facebook bedachte categorieën. Maar ook in stedelijk ontwerp en sociaal beleid worden stedelingen gecategoriseerd volgens de een of andere logica. In het ontwerp liggen steeds specifieke noties van stedelijke publieken besloten, en die manier van benoemen (en het ermee samenhangende machtsvraagstuk) speelt een rol in de manier waarop uitwisseling plaats vindt. Daarmee samenhangend werkt een interface ook als een filter. Een interface maakt het mogelijk om specifieke elementen uit verschillende werelden op elkaar af te stemmen, en andere elementen buiten te sluiten. Tot slot verloopt de afstemming via een ‘protocol’. Een protocol is een specifieke manier van doen die als algemeen geldend wordt ervaren in een bepaalde sociale contekst. Met betrekking tot nieuwemediatechnologie bestaat een protocol zowel uit technische standaarden die uitwisseling mogelijk maken als de sociale en culturele praktijken die rond een specifieke technologie of ruimte zijn ontstaan. Mijn gebruik van de term protocol leunt op de definitie die mediahistorica Gitelman hiervoor gebruikt in haar boek Always already new Media, History and the data of culture:
…[protocols] include a vast clutter of normative rules and default conditions, which gather and adhere like a nebulous array around a technological nucleus. Protocols express a huge variety of social economic and material relationships. So telephony includes the salutation ‘Hello?’ (for English speakers at least), the monthly billing cycle and the wires and cables that materially connect our phones.[33]
Kijken we opnieuw naar Facebook dan zijn de status-updates en het gebruik van de ‘like’-knop uitgegroeid tot belangrijke protocollen. In het stedelijke leven gaat het eerder om allerlei alledaagse manieren van doen die door de tijd heen gebruikelijk zijn geworden. Soms gaat het om stilzwijgende afspraken over welke buurman in welk vak zijn auto parkeert of wie er wanneer op welk bankje in het park zit, dan weer om gebruiken die vastgelegd zijn in reglementen of zelfs wetten.
Bij elkaar spelen platform, programma, filter en protocol een rol in de manier waarop stedelijke publieken gevormd kunnen worden. In de hierna volgende hoofdstukken zal ik deze vier begrippen inzetten als analytische tool om naar de verschillende aspecten te kijken van de manier waarop de stad als interface functioneert. Een achterliggende vraag die daarbij steeds aan bod zal komen is die van wat Eric Kluitenberg het ‘handelingsmoment’ noemt. Daarmee bedoelt hij: wie heeft er de mogelijkheid om de manier waarop de stad als interface vorm krijgt te beïnvloeden? Zijn dat architecten en beleidsmakers die het stedelijke programma bepalen? Zijn het de technologiebedrijven, die de protocollen vorm geven via welke stedelingen met elkaar kunnen communiceren? Zijn het wellicht stedelingen zelf, die individueel of als collectief, meer mogelijkheden krijgen de stedelijke ruimte met hun mobiele telefoons te ‘herprogrammeren’? Op het gebied van ‘software studies’ is dit een belangrijke vraag. Immers: allerlei protocollen kunnen worden vastgelegd in computeralgoritmes, maar wie bepaalt precies welke wettelijke en culturele codes er worden vastgelegd in de computercodes van de software?
Als dit [handelings]moment uitsluitend ligt aan de zijde van de constructeurs de producenten van deze [digitale technologieën die worden ingezet in een stedelijke contekst] en hun opdrachtgevers dan leven we in een ruimte die volstrekt autoritair bestuurd wordt, ook al vertoont deze in geen enkel direct waarneembaar opzicht de kenmerken van de historische autoritaire ruimte. Hoe meer dit handelingsmoment verspreid is onder producenten en consumenten en hoe meer het in de nodes (eindpunten van het netwerk waar de gebruiker zich bevindt) in plaats van in de hubs (knooppunten in het netwerk) van het netwerk besloten ligt hoe meer sprake er kan zijn van een potentiële ruimte waarin het soevereine subject de mogelijkheid krijgt om zijn eigen autonomie vorm te geven.[34]
Met andere woorden: wie geeft de stedelijke hybride ruimte vorm? Wie bepaalt de manier waarop de stad als interface functioneert? Wordt dat een gesloten systeem, of juist een open platform? Scherp gesteld: Worden burgers uitgeleverd aan de protocollen die staat en bedrijfsleven vastleggen, of ontstaan er mogelijkheden waarbij ze zelf directe invloed uit kunnen oefenen?
Achtergronden: globalisering, netwerksamenleving, ‘networked individualism’
Ik heb tot nog toe de stedelijke openbaarheid beschreven als die plekken waar moderne stedelijke publieken tot stand kunnen komen. En vervolgens stelde ik de vraag welke rol digitale media in dat proces kunnen gaan spelen. Daarbij kwamen vooralsnog vooral een aantal idealen van stedelijke openbaarheid voorbij: de boulevard, de stadsstraat, het koffiehuis. Het vraagstuk is echter complexer dan de vraag hoe digitale media ingrijpen in deze geïdealiseerde voorbeelden van stedelijke openbaarheid. De stedelijke openbaarheid en de manier waarop die in het alledaagse leven vorm krijgt is ook aan allerlei andere invloeden onderhevig. De belangrijkste daarvan zijn misschien wel het proces van ‘globalisering’, de opkomst van de ‘netwerksamenleving’ en een sociaal proces dat wel wordt aangeduid met de opmars van een ‘networked individualism’.
De manier waarop het stedelijk leven verandert onder invloed van globalisering is beschreven in een aantal economische en sociologische theorieën zoals Saskia Sassen’s The Global City, Manuel Castells trilogie The Network Society en David Harvey’s Spaces of Global Capitalism. [35] In het kort komen deze theorieën erop neer dat door een samenloop van twee ontwikkelingen steden wereldwijd meer en meer met elkaar verknoopt raken. Enerzijds wijzen deze auteurs op technologische veranderingen zoals de opkomst van wereldomspannende communicatienetwerken. Die netwerken maken het voor bedrijven mogelijk om bijvoorbeeld een nieuwe computerchip te laten ontwerpen in Palo Alto (in Silicon Valley), te laten produceren in een fabriek in China, te laten testen in Singapore, terwijl de marketingcampagne om die chip in Europa te verkopen wordt bekokstoofd in een kantoor op Madison Avenue in New York.[36] Die wereldwijde verknoping is echter niet alleen het gevolg van nieuwe technologieën. Veranderingen in juridische regelgeving tot stand gekomen onder de neoliberale politieke wind die sinds de jaren tachtig door de wereld waait, zijn minstens zo belangrijk. Sassen schetst hoe deze ontwikkeling leidt tot het ontstaan van ‘global cities’ met een dubbele dynamiek. Aan de ene kant ontstaat er een wereldomvattende managementklasse die overal ter wereld kantoor houdt in dezelfde uit spiegelglas opgetrokken kantoortorens. Die managers doen echter een groot beroep op de service-industrie, en zo trekken de ‘global cities’ ook grote groepen lokale als ook internationale (vaak illegale) migranten aan die voor weinig geld broodjes smeren voor de lunch, op de kinderen van de managers passen en de kantoren schoonhouden. Castells spreekt zelfs van ‘Dual Cities’. Hij ziet binnen steden grote tegenstellingen ontstaan tussen groepen die deel uit maken van de wereldwijde professionele elite, en degenen die niet ‘ingeplugd’ zijn in het systeem. Die tegenstelling hangt volgens hem samen met twee ruimtelijke regimes, dat van de ‘space of flows’ en de ‘space of places’. De space of flows bestaat uit de communicatienetwerken, computers en mobiele telefoons die de airport lounges, vijfsterrenhotels en driesterrenrestaurants van de elite met elkaar verbinden. De space of flows, betoogt Castells, leidt wereldwijd tot de opkomst van een ‘plaatsloze’ architectuur van bedrijvenparken, fitnesscentra, en ketens als Starbucks die van Sao Paolo tot Shanghai hetzelfde interieur, hetzelfde menu en dezelfde achtergrondmuziek hebben. De ‘space of places’ daarentegen zijn de lokale plekken die niet aangesloten zijn op deze netwerken. Daar leidt de ‘gewone man’ zijn alledaagse leven. Deze plekken zijn verbonden met lokale tradities, gebruiken en gewoontes en bieden een kader waarbinnen lokale bevolkingen deel uit kunnen maken van aan die plaatsen gebonden publieken. In het kort, stelt Castells: ‘Elites are global, people are local. The space of power and wealth is projected throughout the world, while people’s life and experience are rooted in places, in their culture, in their history.’[37] De space of flows dreigt daarbij de space of places te domineren met grote gevolgen voor de stedelijke openbaarheid. In de eerste plaats zijn al de ruimtes die verbonden zijn met de ‘space of flows’ geen openbare ruimtes. Winkelcentra, fastfoodketens, de atria van kantorenparken zijn ruimtes (of: ‘platformen’) die commercieel geëxploiteerd worden, en waar de eigenaren de programmering en het protocol bepalen waaruit volgt wie er wel en niet welkom is, en wat er wel en niet geoorloofd is. Allerlei voor de stedelijke openbaarheid essentiële praktijken vallen daar meestal niet onder, variërend van zomaar wat rondhangen tot het houden van politieke demonstraties. In de tweede plaats ontbreekt het deze ruimtes aan een ‘sense of place’, lokaal gewortelde gebruiken en betekenissen die verbonden zijn aan een plek, en die een belangrijke rol spelen in de manier waarop stedelingen rondom die gedeelde historische ervaringen een publiek kunnen vormen.[38] Bij elkaar leidt het ertoe dat het stedelijk landschap verandert van een stad met een duidelijk herkenbaar centrum en andere plekken die een belangrijke symbolische waarde kunnen hebben, tot een diffuus stedelijk veld, een eindeloze zichzelf repeterende aaneenschakeling van winkelcentra, megastores, fast-food ketens en andere ‘non-places’. Zo dreigt ook de functie van de ‘stad als interface’ te verdwijnen, als een systeem waar individuen al doende deel uit gaan maken van verschillende sociale en culturele werelden, die weer hun beslag krijgen in de gebouwde omgeving en de culturele praktijken die daarbij horen. Enigszins overdreven gesteld: het enige publiek waar stedelingen nog deel van uit kunnen maken is dan dat van het winkelende publiek.[39]
Deze harde tegenstelling tussen een ontwortelde wereldwijde elite en een aan lokale plaatsen gebonden bevolking van ‘gewone mensen’ is Castells op veel kritiek komen te staan.[40] Belangrijkste punt van kritiek is dat hij wel erg eenzijdig de nadruk legt op de economische ‘flows’, terwijl hij nauwelijks oog heeft voor de manier waarop ook alledaasge culturele uitwisseling is ‘geglobaliseerd’ en gemediatiseerd. Globalisering leidt niet alleen tot een ‘cosmopolisering’ van de elite, maar ook tot die van het alledaagse leven.[41] Globalisering wordt ook zichtbaar in de stedelijke openbaarheid en maakt onderdeel uit van het alledaagse leven. ‘Zij wordt zichtbaar’, schrijft René Boomkens, ‘in de wijze waarop internationale kledingtrends het straatbeeld in steden bepalen, maar ook in een mengelmoes van kledingstijlen, talen en gebruiken die door arbeidsmigranten of asielzoekers wordt geïntroduceerd.’[42]
Een andere belangrijke kritiek is dat Castells hier een onderscheid maakt tussen de ruimtes van de elites die verbonden zijn met allerlei netwerken, terwijl de plekken van de ‘gewone mensen’ daar niet op aangesloten zouden zijn. De belangrijkste ontwikkeling van het afgelopen decennium is juist dat nieuwe media technologieën ook in het alledaagse stedelijke leven van de ‘gewone man’ een belangrijke rol zijn gaan spelen. ‘In plaats van op een strikte scheiding tussen fysieke ruimte en informatieruimte’, schrijft Eric Kluitenberg, ‘duiden alle technologische en sociale trends er juist op dat deze beide ‘sferen’ zich toenemend fijnmazig met elkaar verweven.’ [43]
Een interessante benadering van globalisering die recht doet aan deze ontwikkeling vinden we in het werk van de Indiaas-Amerikaanse antropoloog Arjun Appadurai. Appadurai beschrijft een aantal (metaforische) wereldomvattende ‘landschappen’ waarin geld, macht, ideologieën, mensen en culturele betekenissen circuleren. Zo spreekt hij onder meer van financescapes, etnoscapes, ideoscapes en mediascapes. Die -scapes zijn niet losgezongen van de fysieke wereld, maar zijn ‘vectoren’ die op elkaar inwerken, met elkaar samen zijn ze bepalend voor de manier waarop onder meer de stad vorm krijgt en hoe die door de stedelingen wordt ervaren. Dus: de economische wetmatigheden van het kapitalisme mogen, zoals Castells beschrijft, leiden tot circulatie van geld in het financescape, en bijdragen aan het ontstaan van de global cities met hun spiegelende kantoortorens. Maar de ervaring van de stad kan niet tot de circulatie in dat ene landschap worden gereduceerd. Door de circulatie van symbolen, mensen en geldstromen kan ook de ervaring van een plek direct verbonden raken aan die van een andere plek ergens anders op de wereld. Dat soort plekken noemt Appadurai ‘translocalities’. Een immigrantenwijk of toeristenbestemming is bijvoorbeeld vaak directer gelinkt met gebruiken, betekenissen en praktijken die duizenden kilometers verderop gangbaar zijn, dan met de directe omgeving. Dat betekent ook dat de (stedelijke) openbaarheid niet meer een-op-een gelinkt is aan een begrensde plek of nationaal territorium. Appadurai spreekt van een ‘diasporische publieke sfeer’ die ontstaat door wereldwijde migratiepatronen en de opkomst van electronische media. Of in zijn eigen termen: door circulatie in etnoscapes en mediascapes. Dankzij deze media houden groepen migranten over de hele wereld contact met de cultuur van het thuisland, die daardoor tegelijkertijd losgezongen raakt van een afgebakend geografisch territorium. De ervaring van een plek kan heel gelaagd worden, beschrijft hij in een interview met Arjen Mulder:
People live as it were in layered places [...] That goes back to my idea that in a world of migration and mass mediation everybody is living in a world of image flows, such that it’s not simply and straightforwardly possible to separate their everyday life from this other set of spaces that they engage with through the media, either as receivers or as workers in call centers or on interactive websites. […] People inhabit either multiple localities or a kind of single and complex sense of locality in which many different empirical spaces coexist. So one of these call center people is simultaneous living a little bit in the United States and also living substantially in Bombay. But Bombay itself, because of films and so on, is not merely empirical Bombay.[44]
Dat betekent, zo vult Saskia Sassen ruim een decennium later aan, dat stadsbewoners ‘het plaatselijke gaan ervaren als een soort micro-omgeving met een mondiale reikwijdte’.[45] Gebouwen, instituties, mensen, plaatsen zijn verbonden met andere vergelijkbare plekken, mensen en gebouwen op andere plekken in de wereld.
Het valt op dat veel van deze theorieën vooral de transnationale links naar voren brengen als een essentiële verschuiving. In dit proefschrift wil ik laten zien dat de affordances van digitale media juist ook op lokaal niveau vergelijkbare links kunnen leggen tussen verschillende territoria en sferen. Ook binnen een stad kan een variant op Appadurai’s ‘translocalities’ en ‘diasporische publieke sfeer’ ontstaan. Dat wil zeggen dat bijvoorbeeld verschillende locaties die toebehoren aan de een of andere groep in een stad met elkaar verbonden worden met behulp van digitale media. De Zweedse antropoloog Ulf Hannerz heeft dan ook gelijkt als hij schrijft dat de ervaring van een plek niet meer op zichzelf staand is:
We are just giving up the idea that the local is autonomous, that is has an integrity of its own. It would have its significance rather as an arena in which a variety of influences come together acted out perhaps in a unique combination under those special conditions.[46]
Maar ook Hannerz beschrijft deze ontwikkeling in eerste instantie als onderdeel van het proces van globalisering. Terwijl die ‘variety of influences’ evengoed van de andere kant van de stad of straat kunnen komen. De affordance van mobiele media om translokale links te maken is misschien zelfs nog wel belangrijker voor de veranderingen in de manier waarop stedelijke openbaarheid tot stand komt, dan de transnationale verbindingen die deze antropologen beschrijven.
Deze economische en culturele ontwikkelingen gaan gepaard met nog een andere, sociale ontwikkeling die de Nederlandse sociologen Jan-Willem Duyvendak en Menno Hurenkamp ook wel de opkomst van ‘lichte gemeenschappen’ noemen. Ze verkiezen die term boven het meer gangbare idee dat de moderne samenleving gekenmerkt zou worden door een proces van individualisering. Individualisering houdt in dat het moderne individu zich heeft bevrijdt van de traditionele gemeenschap en het leven naar eigen inzicht invulling begint te geven. In hun boek Kiezen voor de kudde betogen Duyvendak en Hurenkamp dat die observatie slechts ten dele klopt. Ze betwisten niet dat de keuzevrijheid van individuen is toegenomen, maar dat betekent niet dat ze geen deel meer uitmaken van collectiviteiten die ze als zinvol ervaren. Alleen zijn de banden binnen zo’n collectiviteit wel minder dwingend en geldt het lidmaatschap ook niet meer automatisch voor het leven:
Groepen zijn nog altijd sturend voor het (keuze)gedrag van mensen en mensen willen nog altijd graag bij groepen horen. Het zijn alleen niet meer de groepen van vroeger. De beklemming van zware sociale verbanden lijkt steeds meer vermeden te worden en tijdelijke en inwisselbare verbanden nemen in populariteit toe. [...] Zwakke of losse banden, lidmaatschappen die je op kunt zeggen in plaats van verwantschappen voor het leven krijgen met enige regelmaat de voorkeur boven sterke verbindingen. En dit minder collectieve karakter van de nieuwe netwerken maakt het ook mogelijk om je te verbinden met meer netwerken tegelijkertijd. Het leidt tot vluchtiger banden maar ook tot meer connecties. We zien lichte gemeenschappen ontstaan.[47]
Barry Wellman spreekt ook wel de opkomst van een ‘networked individualism’. Daarmee benadrukt ook hij de toegenomen keuzevrijheid, maar tegelijkertijd signaleert hij dat individuen daardoor deel uit zijn gaan maken van allerlei uiteenlopende publieken, ieder met zijn eigen functies, rollen, en bijbehorende repertoires. Zoals Wellman schrijft:
Rather than relating to one group, they [people] cycle through interactions with a variety of others, at work or in the community. Their work and community networks are diffuse, sparsely knit, with vague, overlapping, social and spatial boundaries. Each person is a switchboard, between ties and networks. People remain connected, but as individuals, rather than being rooted in the home bases of work unit and household. Each person operates a separate personal community network, and switches rapidly among multiple sub-networks.[48]
Wat dat alles bij elkaar betekent voor het alledaagse leven van de stedeling en de stedelijke openbaarheid wordt mooi beschreven aan de hand van een aantal voorbeelden in het boek Living in the Global City. In dat boek beschrijft de Britse socioloog Martin Albrow hoe de Londense stadswijk Tooting tegenwoordig wordt bevolkt door een verzameling van zeer uiteenlopende individuen met verschillende sociale netwerken. Sommigen identificeren zich nauwelijks met de wijk, hun huis staat er, ze slapen er, maar het overgrote deel van hun sociale leven speelt zich elders af. Voor weer anderen is de wijk een belangrijk deel van hun alledaagse leven, en voor weer anderen is de wijk één van de onderdelen van hun levenswereld. Zo beschrijft Albrow het leven van Zubdha, een 26-jarige vrouw van Pakistaanse afkomst. Ze werkt buiten de wijk, en heeft zeer veel contact met haar familie in Pakistan. Maar ze heeft het ook naar haar zin in Tooting: je kunt er gemakkelijk halal vlees kopen, en ze heeft er ook vriendinnen. Maar buiten die vrienden om heeft ze weinig contact met andere bewoners van Tooting.[49] Zo maakt ze deel uit van verschillende publieken die elkaar slechts gedeeltelijk overlappen: de collega’s van haar werk, haar vriendinnnen uit de buurt, de transnationale links die ze onderhoud met familie in Pakistan. Om deze situatie theoretisch te duiden, introduceert Albrow een tweetal nieuwe begrippen: ‘social sphere’ en ‘socioscape’. De verzameling van plekken die voor een individuele bewoner relevant zijn noemt Albrow een ‘social sphere’. Voor sommigen is die sociosphere beperkt tot de buurt. Voor anderen – zoals Zubdha – omspant de sociosphere – met behulp van mediatechnologieën – zowel de buurt, als de stad als ook links met locaties aan de andere kant van de wereld. De sociospheres van de verschillende bewoners overlappen elkaar slechts gedeeltelijk, er is geen sprake van een klassieke stedelijke openbaarheid waar alle bewoners van de buurt op de boulevard automatisch notie van elkaar zouden kunnen nemen. Toch wil dat niet zeggen dat er geen overlap is tussen de verschillende werelden van de bewoners. De snijpunten van de verschillende sociospheren noemt Albrow het socioscape, dat is het steeds wisselende landschap van de elkaar kruisende paden van de wijkbewoners.[50]
De ervaring van stedelijke openbaarheid is dus een complex geheel geworden. Stedelingen maken ieder op hun eigen manier gebruik van de stad, en daarbij maken ze deel uit van een complexe verzameling van verschillende publieken, die allemaal hun eigen ruimtelijke repertoires en ook symbolische locaties kennen. Daarbij is de ervaring van de stad aan de ene kant verknoopt met plekken buiten de traditionele stadsgrenzen. Aan de andere kant ontstaan er ook allerlei plekken waar de verschillende levenswerelden van stedelingen elkaar overlappen. Het is tegen deze achtergrond dat de opkomst van de hierboven omschreven digitale technologieën en mobiele media gestalte krijgt in het stedelijk leven. Daarbij zal ik laten zien dat de affordances van digitale en mobiele media goed aansluiten bij de opkomst van het ‘networked individualism’ en ook de ontwikkeling van lichte gemeenschappen kunnen versterken.
Methode van onderzoek
Hier zal ik nog uiteenzetten hoe ik de manier ga onderzoeken waarop digitale technologieën en mobiele media ingrijpen in het stedelijke leven en wat dat betekent voor de manier waarop moderne stedelijke publieken tot stand komen. Ik benader dit vraagstuk vanuit twee verschillende perspectieven die ik ‘de buurt’ en ‘het plein’ noem en die allebei een ander aspect vertegenwoordigen van wat ik hier de stedelijke openbaarheid heb genoemd. De stedelijke openbaarheid bestaat uit al die plekken in de stad die als uitwisselingslandschap functioneren, maar daarbij kunnen we onderscheid maken tussen twee verschillende sferen of domeinen. De Amerikaanse socioloog Lyn Lofland noemt deze twee domeinen ook wel het ‘parochiale domein’, het domein van een groep, of ook wel ‘de buurt’, en het ‘publieke domein’, ruimtes en sferen als een centraal stadsplein die worden gekenmerkt door relaties met vreemden.[51] Het parochiale domein, schrijft Lofland kan herkend worden aan ‘a sense of commonality among acquaintances and neighbors who are involved in interpersonal networks that are located within ‘communities’.[52] Voorbeelden van parochiale domeinen zijn bijvoorbeeld een Turks koffiehuis in een Nederlandse stadswijk, de kantine van een sportclub, een homobar, een Jordanees stamcafé, een bankje op een of ander plein dat is uitgegroeid tot de hangplek van een groep jongeren, enzovoorts. Parochiale domeinen zijn over het algemeen wel voor buitenstaanders toegankelijk, maar ze zullen er wellicht met enige argwaan worden ontvangen. Tegenover het parochiale domein plaatst Lofland het publieke domein. Het publieke domein bestaat uit die plekken in de stad waar we vooral vreemden tegenkomen, die we niet of alleen categorisch kennen: ‘those areas of urban settlements in which indiviudals in copresence tend to be personally unknown or only categorically know to one another.’[53]
Het eerste deel van dit boek gaat over ‘de buurt’ en het parochiale domein. Daar komt de vraag aan bod welke rol de combinatie van digitale media en stedelijke openbaarheid speelt in de manier waarop stedelijke publieken tot stand komen en worden onderhouden die gebaseerd zijn op gemeenschappelijkheid. In het tweede deel dat vertrekt vanuit de notie van ‘het plein’ en het publieke domein staat de vraag centraal welke rol digitale media spelen in het omgaan met verschil. ‘Buurt’ en ‘plein’ zijn twee begrippen die in het alledaagse taalgebruik met dit onderscheid tussen parochiaal en publiek domein samenhangen. De buurt is dan het ‘territorium’ van een publiek van stedelingen die iets met elkaar gemeenschappelijk hebben, elkaar kennen en relatief intensieve sociale contacten onderhouden. Het plein – en soortgelijke plekken als de klassieke Griekse agora, het koffiehuis of de boulevard – is juist de plek waar stedelingen ook anderen tegenkomen die ze niet kennen.
Alhoewel buurt en plein, of parochiaal en publiek domein, het idee oproepen van duidelijk herkenbare, afgebakende ruimtelijke eenheden zal ik hier betogen dat dat mede door de opkomst van digitale media steeds minder het geval is. Stedelijke publieken of gemeenschappen zijn niet per se gebonden aan een parochiaal domein dat overeenkomt met een fysiek begrensde buurt. Andersom beperkt het publieke domein van een stad zich niet tot het centrale plein of de belangrijkste boulevards in het centrum van de stad. Plekken in de stad kunnen ook van functie veranderen. Bijvoorbeeld: een plein dat normaal gesproken als publiek domein functioneert kan tijdens een festival tijdelijk een parochiaal domein worden van een specifieke subcultuur. Ook kan het parochiaal domein van de ene groep voor een buitenstaander juist functioneren als een publiek domein waar hij notie neemt van een publiek waar hij zelf geen deel van uitmaakt. Stedelingen kunnen zich ook onttrekken aan het publieke domein, bijvoorbeeld door zich terug te trekken achter een krant. De mobiele telefoon kan op vergelijkbare wijze ook worden gebruikt als een ‘territory device’, waarmee bijvoorbeeld een publiek domein tijdelijk wordt omgevormd tot privé of parochiaal domein. Beide domeinen hebben echter een belangrijke functie in de stedelijke samenleving. In parochiale domeinen kunnen stedelingen opgaan in allerhande collectiviteiten, in het publieke domein moeten ze zich tot elkaar verhouden. Een stad die alleen bestaat uit parochiale domeinen zonder overlap functioneert niet als gemeenschap maar valt uiteen in een verzameling ruimtelijk gefragmenteerde publieken. Een stad die alleen uit een publiek domein bestaat is onbewoonbaar, die biedt individuele stedelingen geen enkel collectief verband. Het vraagstuk van de stedelijke samenleving komt dan ook neer op de vraag wat de juiste verhouding tussen deze twee domeinen zou moeten zijn.
Deel I vertrekt vanuit de notie van ‘de buurt’ en gaat over de manier waarop parochiale domeinen in de stad tot stand komen. Discussies over stedelijke gemeenschappen en publieken worden vaak gevoerd vanuit de vraag of een buurt nu al dan niet een stedelijke gemeenschap is of zou moeten zijn. Wat is de relatie tussen stedelijke ruimtes en publieken? Kan uit een gedeelde omgeving (een buurt) een gemeenschap of publiek ontstaan? En andersom: hoe kunnen specifieke publieken zich bepaalde buurten of plekken toe-eigenen? Deel II vertrekt vanuit het idee van ‘het plein’ en gaat over het publieke domein en de ervaring van verschil. Zijn er nog plekken waar al die verschillende stedelingen elkaar tegen komen en zich tot elkaar moeten zien te verhouden? Hoe kunnen stedelingen van uiteenlopende achtergronden daar met elkaar tot een vergelijk komen en ook als geheel een stedelijke gemeenschap vormen? Ik zal die vragen steeds beantwoorden vanuit het idee van ‘de stad als interface’, en de daarmee samenhangende concepten platform, programma, filter en protocol: Welke ontmoetingskansen ontstaan er door de combinatie van ruimtelijke praktijken en gebruik van digtiale media? Hoe en door wie worden die platforms geprogrammeerd? Welke filtermechanismes zijn er van kracht en welke protocollen worden gebruikt? En bij welke partij komt het handelingsmoment te liggen?
Ik wil de discussie over de relatie tussen digitale media en stedelijke publieken niet op een abstracte manier voeren, maar verbinden met concrete stedelijke praktijken waarop deze nieuwe technologieën ingrijpen, als ook met de concrete traditie van stedelijk ontwerp waaraan de huidige stad deels zijn vorm heeft te danken heeft. Daarom heb ik ervoor gekozen om beide delen te verbinden met een aantal concrete voorbeelden. Deel I is voor een deel opgebouwd rond de Rotterdamse wijk Pendrecht. Deel II neemt het Rotterdamse Schouwburgplein als uitgangspunt. Ik heb voor twee concrete voorbeelden uit Rotterdam gekozen omdat die stad in het debat over de stedelijke cultuur een interessante rol heeft. Rotterdam is al ruim een eeuw een internationale havenstad en onderdeel van bovenlokale handelsstromen en migratiepatronen. Na de Tweede Wereldoorlog moest de stad voor een groot deel opnieuw worden opgebouwd, wat leidde tot een aantal ‘filosofische’ debatten over de toekomst van de stedelijke gemeenschap. Aan het begin van deze eeuw is Rotterdam een van de steden die proberen de omschakeling te maken van een industriële naar een postindustriële stad. Ook op beleidsmatig gebied geldt Rotterdam als een voorloper. In de late jaren tachtig en vroege jaren negentig gold Rotterdam als grondlegger voor de ‘sociale vernieuwing’ – een nieuw beleidsprogramma om stedelijke ruimtes sociaal te activeren. Begin deze eeuw speelde de stad een belangrijke rol in de Fortuynistische beweging. Bij elkaar leveren deze ontwikkelingen een aantal interessante filosofische debatten op over de manier waarop de stad als interface zou kunnen functioneren.
De twee delen van dit boek geven eerst een overzicht van verschillende visies op respectievelijk het parochiale en het publieke domein, en koppelen die aan de ontwikkelingen zoals die in Rotterdam hebben plaatsgevonden. Doel daarvan is niet om een complete geschiedenis te schrijven van de stedelijke openbaarheid (het verzamelbegrip dat ik gebruik voor parochiaal en publiek domein) of van Rotterdam, maar om uit de verschillende discussies en ontwerpbenaderingen die ik de revue laat passeren steeds een aantal essentiële details naar voren te halen die een belangrijke rol spelen in de manier waarop stedelijke openbaarheid wordt geacht te functioneren, en die met de opkomst van digitale media kan veranderen.
In beide delen onderzoek ik vervolgens hoe digitale technologieën en mobiele media voortkomen uit en ingrijpen op de ontwikkelingen die ik daarvoor heb geschetst. Ik wil dat opnieuw doen door een aantal concrete casussen te bespreken. Echter hier doet zich een probleem voor. De opkomst en het gebruik van digitale media is nog niet uitgekristalliseerd. Er zijn een aantal verschillende scenario’s mogelijk, en die hangen mede af van de ontwerpbenadering waarmee digitale media worden ingezet in het stedelijk ontwerp als ook van de manier waarop gebruikers deze media al dan niet zullen omarmen. Dat maakt het dus enerzijds lastig en tegelijkertijd hoogst relevant om uitspraken te doen over de mogelijke impact van digitale media op de stedelijke openbaarheid. Om dat probleem te omzeilen, heb ik ervoor gekozen om de problematiek te bespreken aan de hand van verschillende ‘test-cases’. Deze test-cases variëren: het kan gaan om een kunstwerk met een specifieke opvatting over interactie-ontwerp, een iPhone app die stedelingen op een bepaalde manier naar de stad laat kijken, een opkomende commerciële praktijk waarin stedelijke publieken op een specifieke manier worden aangesproken, enzovoorts. Deze test-cases laten steeds een glimp van een mogelijke toekomst zien. Ze leggen een aantal affordances van digitale media bloot die nog niet volledig tot wasdom zijn gekomen. Zo laten deze test-cases zien in welke verschillende richtingen de ‘stad als interface’ zich mogelijk verder ontwikkelt. Deze aanpak is gebaseerd op het idee van de ‘cultural probe’, een methodologie uit de design-wereld. In het ontwerpproces maken ontwerpers soms gebruik van zogenaamde cultural probes. Dat zijn objecten die ze bij wijze van onderzoek aan een testpubliek voorleggen. Het object kan een prototype zijn waarvan de functionaliteit wordt onderzocht. Maar het kan ook om een voorwerp gaan dat niet bedoeld is om ooit daadwerkelijk in productie genomen te worden, maar dat bij het testpubliek reacties moet ontlokken die de designer weer als inspiratie kan gebruiken.
Cultural probes are used by designers to stimulate imagination; the designer takes the role of “provocateur” and the information collected is “inspirational data … [used to acquire] a more impressionistic account of [people’s] beliefs and desires, their aesthetic preferences and cultural concerns.[54]
Op soortgelijke wijze zijn de test-cases hier bedoeld als een ‘filosofische peilstift’ waarmee ik de gemoederen in de discussie rond digitale media en stedelijkheid opmeet, of zelfs als ‘filosofische provocatie’, bedoeld om een debat uit te lokken. De test-cases vormen steeds een aanleiding of springplank voor een aantal discussies die duidelijk maken wat er mogelijk op het spel komt te staan: hoe kunnen wat voor stedelijke publieken tot stand komen uit het samenspel tussen stedelijke ruimtes en digitale en mobiele media? En wat betekent dat voor de manier waarop de stad als samenleving functioneert? De test-cases zijn bedoeld om het debat na alle praktische voorbeelden ook weer filosofisch te maken.
Verantwoording
We bevinden ons midden in de periode waarin de ‘stad als interface’ vorm krijgt. Smartphones, navigatiesystemen, locatiediensten, sensors, rfid-chips, ‘smart city’-protocollen – het zijn producten en diensten die op dit moment worden ontwikkeld, uitgerold en langzaam aan deel uit gaan maken van het alledaagse leven. Daarom is het juist nu van belang de mogelijke toekomstscenario’s te verkennen, zonder daarbij de historische continuïteit uit het oog te verliezen. Want al deze nieuwe technologieën en culturele praktijken ontstaan uiteraard niet uit het niets. Zoals Scott McQuire in zijn boek The Media City laat zien is de inbedding van een nieuwe technologie in de samenleving een complex proces, waarbij de uitkomst niet van te voren vast staat. Vaak gaat de introductie van een nieuwe technologie gepaard met uitgebreide deliberatie over mogelijk gebruik en maatschappelijke impact ervan. Even vaak wordt geclaimd dat de nieuwe technologie zal leiden tot een maatschappelijke breuk of revolutie. Na verloop van tijd raken diezelfde technologieën op de een of andere manier ingebed in de alledaagse praktijk, totdat ze nauwelijks nog opvallen en het zelfs lastig is voor te stellen dat mensen ooit zonder die technologie hebben geleefd of dat er ook alternatieve toepassingen mogelijk waren geweest. Juist de periode tussen het revolutionaire moment en het moment van inbedding in, is het interessantste moment voor culturele analyse. Op dat moment bevinden we ons op een ‘kruispunt’. Het gebruik is nog niet uitgekristalliseerd en kan nog verschillende kanten op.[55] In deze ‘tussenperiode’ ontfermen verschillende actoren met uiteenlopende belangen zich over de technologie en proberen ze die voor hun doeleinden toe te eigenen. Soms wordt daarbij een specifieke richting als ‘natuurlijk’ voorgesteld. Kijk bijvoorbeeld hoe Microsoft-oprichter Bill Gates ter ere van het zilveren jubileum van het tijdschrift Information Week de toekomst van digitale technologieën beschrijft:
Yet we’re only beginning to realize computing’s potential. I believe that we’re entering an era when software will fundamentally transform almost everything we do. The continued growth of processing power, storage, networking, and graphics is making it possible to create almost any device imaginable. But it’s the magic of software that will connect these devices into a seamless whole, making them an indispensable part of our everyday lives.[56]
De ‘magie’ van de software zal een grote rol gaan spelen in de manier waarop ‘de stad als interface’ wordt ervaren. Ze is de verbindende schakel die al die verschillende protocollen en benaderingen aan elkaar knoopt, en bepaalt voor een deel hoe de technologieën vorm kunnen krijgen in het alledaagse leven. Maar software is natuurlijk geen magische kracht die – abracadabra – het leven in de stad voor iedereen beter zal maken. Software, schrijft informaticus en antropoloog Paul Dourish, is een poging om een bepaald model van de werkelijkheid of visie op de maatschappij vast te leggen in computercodes:
It creates and manipulates models of reality of people and of action. Every piece of software reflects an uncountable number of philosophical commitments and perspectives without which it could never be created.[57]
Zo ontstaat een dubbele ontwikkeling. Enerzijds beïnvloeden digitale media de manier waarop de stad wordt ervaren, en de manier waarop stedelijke publieken mogelijk gevormd kunnen worden. Maar anderzijds liggen aan het ontwerp van deze digitale technologieën weer specifieke opvattingen ten grondslag over wat een stad is, of hoe het stedelijk leven er idealiter uit zou moeten zien.[58] ‘Technology at present is covert philosophy’, stelt de Amerikaanse communicatiewetenschapper Phil Agre, ‘the point is to make it more openly philosophical.’[59] Precies dat is de inzet van dit boek. Ik wil hier enerzijds laten zien hoe deze digitale technologieën bedoeld of onbedoeld implicaties kunnen hebben voor de manier waarop stedelijke publieken gevormd kunnen worden en anderzijds welke ideeën over stedelijke publieken ten grondslag liggen aan de ontwikkeling van diezelfde digitale technologie.
[1] R. Boomkens, Een drempelwereld : moderne ervaring en stedelijke openbaarheid (Rotterdam: NAi Uitgevers, 1998). p. 379
[2] A. Blum, ‘Local Cities, Global Problems: Jane Jacobs in an Age of Global Change,’ in Block by Block: Jane Jacobs and the Future of New York, ed. C. Klemek (New York: Princeton Architectural Press, 2007).
[3] P. Goldberger, ‘Disconnected Urbanism.’ in: Metropolismag.com November 2003(2003).
[4] A. de Souza e Silva, ‘Mobile Technologies as Interfaces of Hybrid Spaces.’ in: Space and Culture 9, no. 3 (2006).
[5] Ik baseer me hier deels op de interessante uiteenzetting over publieken van Danah Boyd in D. Boyd, ‘Taken out of Context’ (UC Berkeley, 2008). p. 17. Ze haalt daar onder meer Hannah Arendt aan die beargumenteert dat ‘publiek’ onder meer inhoudt: ‘that which can be seen and heard by everybody and has the widest possible publicity’. Ook citeert zij Sonia Livingstone aan het woord die een publiek omschrijft als “[a collection of people who share] a common understanding of the world, a shared identity, a claim to inclusiveness, a consensus regarding the collective interest”’. Zelf definieert ze publiek als volgt: ‘a public is both a space where people may gather, interact, and be viewed and also an imagined community of people who share similar practices, identities, and cultural understandings. That which is public is potentially but not necessarily visible. Furthermore, the boundaries of publics may be generally imagined but not necessarily understood.’ Zie verder S. Livingstone, Audiences and Publics: When Cultural Engagement Matters for the Public Sphere (Portland, OR: Intellect, 2005 )., H. Arendt, The Human Condition (Chicago: University Of Chicago Press, 1958).
[6] Lofland houdt een vergelijkbaar betoog, zij baseert zich op de metafoor van de stad als theater, en stelt dat de stad tegelijkertijd podium en tribune is, waarbij stedelingen steeds van positie en van rol wisselen. ‘It has long been assumed that public life, just like a theatrical production requires actors, audience, a stage and a theater … Public life may take place on center stage where the actors are clearly visible to most of the audience or in more secluded areas visible only to a few. A public space, however is at once both stage and theater, for in public the spectators may at any moment choose to become actors themselves.’ L. Lofland, The Public Realm (1998). p. 31 Over stedelijkheid, theater en rollen zie ook: S. Lennard en H. Lennard, Public Life in Urban Places (Southampton, NY: Gondolier, 1984)., W. H. Whyte, The Social Life of Small Urban Spaces (Washington, D.C.: Conservation Foundation, 1980)., E. Goffman, The Presentation of Self in Everyday Life (New York: The Overlook Press, 1959).
[7] M. Berman, All that is solid melts into air: the experience of modernity (New York: Verso, 1987). p. 196
[8] J. Jacobs, The Death and Life of Great American Cities (London: Pimlico, 2000 [1961]).
[9] J. Habermas, The Structural transformation of the public sphere. An Inquiry into a Category of Bourgeois Society (Cambridge, MA: MIT Press, 1991)., R. Sennett, The Fall of Public Man (New York: Knopff, 1977).
[10] René Boomkens ziet hierin een essentiële verschuiving in het denken over stedelijke openbaarheid. Hij spreekt van de acceptatie van het idee van de city as a ‘whole way of life’, waarmee Jacobs afscheid nam van het Guttenbergse ideaal van openbaarheid gebaseerd op rationeel debat: ‘The Gutenbergian perspective was that of literacy, of identifying urban public culture with deliberation, debate, with an educated public, and with organisations and institutions that were installed to stimulate ‘public debate’ and ‘cultural and artistic literacy’. Jacobs was the first to just neglect these definitions of urban culture. She knew better. And she presented the first, and of course in terms of present-day experiences in many respects outdated, discourse on urban culture as a whole way of life.’ R. Boomkens, ‘Media City,’ in TKC Bundel, ed. K. Zijlmans en J. Thissen (Amsterdam: Amsterdam University Press, 2011).
[11] Jacobs, The Death and Life of Great American Cities. p. 67
[12] Zie voor een fraaie bloemlezing van hun belangrijkste teksten R. Sennett, Classic essays on the culture of cities (New York,: Appleton-Century-Crofts, 1969).. Zie ook L. Wirth, ‘Urbanism as a Way of Life.’ in: American Journal of Sociology 44, no. 1 (1938).,
[13] Wirth, ‘Urbanism as a Way of Life.’ in.
[14] Boomkens, Een drempelwereld : moderne ervaring en stedelijke openbaarheid. p. 21
[15] R. Boomkens, De nieuwe wanorde. Globalisering en het einde van de maakbare samenleving (Amsterdam: Van Gennep, 2006). p. 114
[16] B. Anderson, Imagined Communities: Reflections on the Origin and Spread of Nationalism (New York: Verso, 1991).
[17] Het onderliggende theoretische model waarop ik deze benadering van publiek baseer is dat van de ‘assemblage’ zoals uitgewerkt door M. DeLanda, A New Philosophy of Society (New York: Continuum International Publishing Group, 2006). Het basisidee is dat sociale of culturele eenheden ‘assemblages’ zijn, die ontstaan als emergent proces uit de interactie van de elementen waar het geheel uit bestaat. Daarbij kan een proces van ‘coding’ plaats vinden. Als een assemblage ontstaat kunnen bepaalde elementen, regels of uitdrukkingen vastgelegd worden in een code (bijvoorbeeld een wet of een gebruik), en die codes kunnen vervolgens weer de individuele delen waaruit de assemblage bestaat beïnvloeden. Assemblages bestaan uit zowel materiele als expressieve elementen. Materiele elementen zijn bijvoorbeeld mensen, technologieën of stedelijke ruimtes. Expressieve elementen zijn dan de lijm die al de verschillende elementen bij elkaar houdt: een gezworen eed, een volkslied, een wapperend vaandel. Daarbij zijn er vaak zowel territorialiserende krachten als deterritorialiserende krachten aan het werk, die de elementen ofwel bij elkaar drijven, of wel juist uit elkaar trekken. Alledaagse praktijken spelen een belangrijke rol in de manier waarop assemblages tot stand komen en worden onderhouden: ‘Certain routine actions such as having dinner together .. or going to church (and other collective rituals) serve both to express solidarity and to perform maintenance tasks. The important point is that when it comes to express solidarity actions speak louder than words. Expressive components also include any items capable of serving as a badge of identity. The very act of using the particular dialect of a language spoken in a given community for example expresses the fact that the user belongs to that community, a display of pride of membership which coexists with whatever linguistic information is communicated by words.’ ibid., p. 57
[18] Jacobs, The Death and Life of Great American Cities.
[19] De Souza e Silva spreekt van ‘Hybrid Space’: ‘a conceptual space created by the merging of borders between physical and digital spaces’ . de Souza e Silva, ‘Mobile Technologies as Interfaces of Hybrid Spaces.’ in. Zij beargumenteert dat het niet goed mogelijk is om een onderscheid te maken tussen fysieke praktijken en een ‘echte wereld’ en gemedieerde praktijken in een ‘virtuele wereld’, de twee zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Hiermee neemt zij (en ik volg haar daarin) afscheid van het idee dat digitale media een aparte wereld zouden vormen, geconcipieerd als ‘cyberspace’.
[20] J. Meyrowitz, No Sense of Place: The Impact of Electronic Media on Social Behavior (Oxford: Oxford University Press, 1985).
[21] N. Negroponte, Being Digital (New York: Knopf, 1996)., geciteerd in T. Lindgren, ‘Place Blogging. Local Economies of Attention in the Network’ (Boston College, 2009). Dit idee was wijd verbreid. Zie bijvoorbeeld hoe Jones in 1998 Cyberspace omschrijft: ‘cyberspace hasn’t a “where” (though there are “sites” or “nodes” at which users gather). Rather, the space of cyberspace is predicated on knowledge and information, on the common beliefs and practices of a society abstracted from physical space.’ S. Jones, CyberSociety 2.0: revisiting computer-mediated communication and community (Thoasand Oaks: Sage, 1998). geciteerd in M. d. Lange, ‘Moving Circles; mobile media and playful identities’ (Erasmus Universiteit Rotterdam, 2010). Zie ook S. Jones, ‘The Internet and its Social Landscape,’ in Virtual Culture, ed. S. Jones (Thousand Oaks: Sage, 1997)..
[22] Rheingold definiëert virtual communities als: ‘social aggregations that emerge from the Net when enough people carry on those public discussions long enough, with sufficient human feeling, to form webs of personal relationships in cyberspace.’ Rheingold, The Virtual Community: Homesteading on the Electronic Frontier . (Reading, MA: Addison-Wesley, 1993).
[23] Zie ook Lange, ‘Moving Circles; mobile media and playful identities’. en A. Galloway, ‘A Brief History of the Future of Urban Computing’ (Carleton University, 2008). voor een uitgebreid overzicht van verschillende technologieën.
[24] De term ‘affordances’ is afkomstig uit het werk van de psycholoog Gibson. In een artikel beschrijft hij affordances als eigenschappen van een object die onafhankelijk bestaan van de behoeftes van de waarnemer, maar tegelijkertijd wel zijn gerelateerd aan zijn capaciteiten. Een stoep heeft de affordance om erover heen te lopen, of iemand daar nu op een bepaald moment wel of geen behoefte aan heeft. Tegelijkertijd is een dergelijke affordance relationeel. Water heeft voor mensen niet de affordance om eroverheen te lopen, maar wel voor sommige insecten. I. Hutchby, ‘Technologies, Texts and Affordances.’ in: Sociology 35, no. 2 (2001). In een invloedrijk artikel vertaalde William Gaver het concept naar het discours van de design-theorie. Het centrale uitgangspunt is dat een ‘affordance’ een eigenschap is die niet alleen in het object zelf ligt besloten, maar een combinatie is van de mogelijkheden die in object besloten liggen en de mogelijkheden die de gebruiker heeft om die mogelijkheden te benutten: ‘An affordance of an object, such as one for climbing, refers to attributes of both the object and the actor. This makes the concept a powerful one for thinking about technologies because it focuses on the interaction between technologies and the people who will use them.’ W. Gaver, ‘Technology Affordances’ (paper presented at the Proceedings of the SIGCHI conference on Human factors in computing systems: Reaching through technology, New Orleans, 1991). Een ander begrip dat ook wel wordt gebruik om het process te omschrijven waarmee nieuwe technologieën worden geapproprieerd en uit kunnen groeien tot specifieke culturele praktijken is ‘domestication’ R. Silverstone en L. Haddon, ‘Design and the Domestication of Information and Communication Technologies: Technical Change and Everyday Life,’ in Communication by design: the politics of information and communication technologies, ed. R. Silverstone en L. Haddon (New York: Oxford University Press, 1996).
[25] Voor uitgebreidere beschrijvingen van de affordances van digitale en mobiele media zie: Barry Wellman et al., “The Social Affordances of the Internet for Networked Individualism,” Journal of Computer-Mediated Communication 8, no. 3 (2003), M. Tuters en K. Varnelis, ‘Beyond Locative Media: Giving Shape to the Internet of Things.’ in: Leonardo 39, no. 4 (2006)., M. Schuilenburg en A. De Jong, Mediapolis (Rotterdam: 010 Publishers, 2006).
[26] M. Ito, D. Okabe, en M. Matsuda, Personal, Portable, Pedestrian: Mobile Phones in Japanese Life. (Cambridge, MA: MIT Press, 2006). p.15
[27] K. Fujimoto, ‘The Third-Stage Paradigm: Territory Machines from the Grils’ Pager Revolution to Mobile Aesthetics,’ in Personal, Portable, Pedestrian: Mobile Phones in Japanese Life. , ed. M. Ito, D. Okabe, en M. Matsuda (Cambridge, MA: MIT Press, 2006). p. 98
[28] D. Okabe en M. Ito, ‘Technosocial Situations: Emergent Structuring of Mobile E-mail Use,’ ibid. p. 260
[29] Boyd, ‘Taken out of Context’. p. 25 Voor Sheller gaat de ‘netwerk’-metafoor niet ver genoeg. Zo spreekt Sheller liever van mobile publics om aan te geven dat door digitale media technologieën publieken snel uit het niets kunnen ontstaan maar ook even snel weer kunnen oplossen: ‘Although the idea of the network has been extremely productive in some respects, it is also limited by its reification of the grounds for presence and absence. … as a result of the new forms of fluid connectivity enabled by mobile communication technologies .. there are opportunities for new kinds of publics to assemble or gel momentarily (and then just as quickly dissolve) as a result of newly emerging places and arenas for communication.’ Zie: M. Sheller, ‘Mobile publics: beyond the network perspective.’ in: Environment and Planning D: Society and Space 22(2004). Zie ook Roger Burrows, die schrijft: ‘the stuff that makes up the social and urban fabric has changed – it is no longer just about emergent properties that derive from a complex of social associations and interactions. These associations and interactions are now not only mediated by software and code, they are becoming constituted by it.’ R. Burrows, ‘Urban Informatics and Social Ontology,’ in Handbook of Research on Urban Informatics: The practice and Promise of the Real-Time City, ed. M. Foth (Hershey, New York, London: Information Science Reference, 2008). p. 451
[30] Een van de eerste die de term ‘interface’ gebruikte als metafoor voor culturele processen was Stephen Johnson, S. Johnson, Interface Culture (San Francisco: HarperEdge, 1997).
[31] M. Castells, ‘The Culture of Cities in the Information Age,’ in The Castells reader on cities and social theory, ed. I. Susser, Castells, M. (Malden, MA: Blackwell Publishers, 2002). Soortgelijke beschrijvingen van de stad als interface vinden we eerder al bij Mumford en Park. Zo beschreef Lewis Mumford de stad als een efficiënt cultureel systeem: ‘The city may be described as a structure specially equipped to store and transmit the goods of civilization sufficiently condensed to afford the maximum amount of facilities in the minimum space.’ (Mumford, geciteerd in S. McQuire, The Media City. Media Architecture and Urban Space (Thoasand Oaks: Sage, 2008). We vinden een vergelijkbare beschrijving bij Robert Park. Het is de moeite waard hem hier wat langer te citeren: The city, […] , is something more than a congeries of individual men and of social conveniences – streets, buildings, electric lights, tramways, and telephones etc.; something more also than a mere constellation of institutions and administrative devices –courts hospitals schools, police and civil functionaries of various sorts. The city is rather, a state of mind, a body of customs and traditions, and of the organized attitudes and sentiments that inhere in these customs and are transmitted with this tradition. The city is not in other words, merely a physical mechanism and an artificial construction. It is involved in the vital process of the people who compose it. it is a product of nature, and particularly of human nature [...] The city is rooted in the habits and customs of the people who inhabit it. The consequence is that the city possesses a moral as well as a physical organization and these two mutually interact in characteristic ways to mold and modify one another. [The structure of the city] has its basis nevertheless in human nature of which it is an expression, on the other hand this vast organization which has arisen in response to the needs of its inhabitants, once formed, imposes itself upon them as a crude external fact and form them in turn in accordance with the design and interests which it incorporates.’ Robert Park in Sennett, Classic essays on the culture of cities.
[32] B. Latour, Reassembling the Social: An Introduction to Actor-Network-Theory (New York: Oxford University Press USA, 2005).
[33] L. Gitelman, Always already new Media, History and the data of culture (Cambridge, MA: MIT Press, 2008). De precieze manier waarop protocollen tot stand komen is complex. Als we naar de technische protocollen kijken, spelen onder meer standaardiseringsinstituties een rol, net als grote spelers uit de industrie en de overheid die specifieke standaarden in de wet vast kan leggen. Sociale en culturele protocollen ontstaan onder meer uit herhaalde interacties in het alledaagse leven, onder invloed van wetgeving, marketing, culturele omstandigheden enzovoorts.
[34] E. Kluitenberg, ‘The Network of Waves.’ in: Open, no. 11 (2007). p. 14
[35] S. Sassen, The global city: New York, London, Tokyo (Princenton, NJ: Princeton University Press, 1991)., M. Castells, The Power of Identity (Oxford: Blackwell, 1997)., D. Harvey, The Condition of Postmodernity: An Enquiry into the Origins of Cultural Change (Oxford: Wiley-Blackwell 1992); D. Harvey, Spaces of Global Capitalism: A Theory of Uneven Geographical Development (London: Verso, 2005).
[36] Dit voorbeeld komt uit I. Susser, Castells, M., ed. The Castells reader on cities and social theory (Malden, MA: Blackwell Publishers,2002).
[37] Ibid. p. 348
[38] Zie bijvoorbeeld: ‘My hypothesis is that the coming of the space of flows is blurring the meaningful relationship between urban architecture and society. Because the spatial manifestation of the dominant interests take place around the world, and across cultures, the uprooting of experience, history and specific culture as the background of meaning is leading to the generalization of ahistorical, acultural, architecture.’ ibid. p. 350.
[39] Al doen we Manuel Castells daarmee te kort. Hij beschrijft ook hoe verschillende nieuwe identiteiten ontstaan als reactie op deze nieuwe conditie, zoals ‘resistance identities’ en ‘project identities’. Resistance identities zijn groepen die de moderne wereld – soms op gewelddadige manier – afwijzen met een beroep op tradities als godsdienst. Publieken gegroepeerd rond een ‘project identity’ proberen juist de wereld te verbeteren op basis van een aantal nieuwe waarden, zoals bijvoorbeeld de milieubeweging. Zie M. Castells, ‘The Power of Identity: The Information Age: Economy, Society, and Culture.’ in: (2009).. Belangrijkste kritiek hierop luidt dat bij Castells alle vormen van identiteit en de publieken die zich om zo’n gemeenschappelijke notie van identiteit vormen tot stand komen als reactie op het economische systeem.
[40] Zie bijvoorbeeld A. Amin en N. Thrift, Cities: Reimagining the Urban (Cambridge (UK): Polity Press, 2002).,
[41] U. Beck, Cosmopolitan Vision (Cambridge, UK: Polity Press, 2006).
[42] R. Boomkens, ‘De continuïteit van de plek. Van de maakbare naar de mondiale stad.’ in: Open – Maakbaarheid, no. 15 (2008).
[43] Kluitenberg, ‘The Network of Waves.’ in.
[44] A. Appadurai, ‘Work of the Imagination,’ in Transurbanism, ed. A. Mulder en J. Brouwer (Rotterdam: NAi Publishers, 2002). p. 43
[45] S. Sassen, ‘Publieke interventies; De verschuivende betekenis van de stedelijke conditie.’ in: Open 11(2006). p. 24
[46] U. Hannerz, Transnational Connections: Culture, People, Places (Londen: Routledge, 1996). p. 27. Een vergelijkbare conclusie vinden we in A. Smith, Nationas and nationalism in a global era. (Cambridge, UK: Polity Press, 1995).: ‘in short everyday life is neither a fixed spatial scale nor a guaranteed site of local resistance to more global modes of domination whether capitalist or otherwise. Rather under conditions of transnational urbanism our everyday life-world is one in which competing discourses and interpretations or reality are already folded into the reality we are seeking to grasp.’ P. 118
[47] J. W. Duyvendak en M. Hurenkamp, eds., Kiezen voor de kudde. Lichte gemeenschappen en de nieuwe meerderheid (Amsterdam: Van Gennep,2004). p. 16
[48] B. Wellman et al., ‘The Social Affordances of the Internet for Networked Individualism.’ in: Journal of Computer-Mediated Communication 8, no. 3 (2003).
[49] M. Albrow, ‘Travelling beyond local cultures. Socioscapes in a global city,’ in Living the Global City ed. J. Eade (London: Routlegde).
[50] Ibid. p 50-52
[51] ‘Stedelijke openbaarheid’ verschilt daarmee van het begrip openbare ruimte – dat zijn plekken die in principe voor iedereen toegankelijk zijn. ‘Openbaar’ is daar vooral een juridisch begrip: iedereen heeft het recht die plek te betreden. Maar dat wil nog niet zeggen dat dat ook daadwerkelijk gebeurt. Andersom kan het ook gebeuren dat een plek als ‘stedelijke openbaarheid’ functioneert zonder dat het ook wettelijk gezien een openbare ruimte is. Denk bijvoorbeeld aan een winkelcentrum of een café of terras. Zie ook M. Hajer en A. Reijndorp, Op zoek naar nieuw publiek domein (Rotterdam: NAi Publishers, 2001). Naast parochiale en publieke domeinen onderscheid Lofland ook nog het privédomein. Dat is dan de plek van de intieme relaties, van het huishouden. Het is ook een sfeer van individuele afzondering, de gebruiker heeft zelf de controle over wie er buiten hemzelf toegang toe heeft.
[52] L. Lofland, A world of strangers : order and action in urban public space (New York: Basic Books, 1973).
[53] Ibid.
[54] Anne Galloway maakt in haar onderzoek ook gebruik van cultural probes en baseert zich daarbij op de theorie van Gaver. Galloway, ‘A Brief History of the Future of Urban Computing’. , B. Gaver, T. Dunne, en E. Pacenti, ‘Design: Cultural Probes.’ in: ACM Interactions, no. January-February 1999 (1999).
[55] Samen met Walter Benjamin spreekt McQuire van een moment ‘at the crossroads’. Op dat moment onstaat er een ‘new view on the historical World’ … ‘at the point where a decision is forthcoming as to its reactionary or revolutionary application.’ Walter Benjamin, geciteerd in McQuire, The Media City. Media Architecture and Urban Space p. 14
[56] 1 Gates, Bill ‘The enduring magic of software’ InformationWeek October 18, 2004, found at: http://www.informationweek.com/story/showArticle.jhtml?articleID=49901115
[57] P. Dourish, Where the Action Is. The foundations of Embedded Interaction (Cambridge, MA2004).
[58] Flichy spreekt daarbij van een ‘technological imaginary’: ‘the creation of a new medium’, schrijft Flichy, ‘is therefore the result of a complex interplay between technological developments, planned uses fitting into evolving lifestyles and modes of working, and a socio-technological imaginaire.’ P. Flichy, ‘The construction of new digital media.’ in: New Media and Society 1, no. 1 (1999). Zie ook: M. d. Waal, ‘The Urban Ideals of Location-based Media.’ in: Cities of Desire. An Urban Culture Exchange between Vienna and Hong Kong (2009). en M. d. Waal, ‘The Ideas and Ideals in Urban Media,’ in From Social Butterfly to Engaged Citizen, ed. M. e. a. Foth (Cambridge, MA: MIT Press, 2012).
[59] Geciteerd in Dourish, Where the Action Is. The foundations of Embedded Interaction. p. Viii
Conclusie
‘Zijn onze groote steden nog wel stedelijke gemeenschappen? Zijn zij eigenlijk niet langzamerhand geworden tot groote agglomeraties van afzonderlijk levende menschen, die wel het verband voelen tot de sociale groep waartoe zij behooren, doch die zich buiten deze groep verloren wanen in de massa?’[1]
In 1946 sprak de toenmalige burgemeester Oud van Rotterdam op bovenstaande wijze zijn zorg uit over de toekomst van zijn stad. Door de schaalvergroting in de haven en industrie en de toeloop van migranten uit verre landsdelen als Brabant, Zeeland en Friesland was Rotterdam in de decennia voor de Tweede Wereldoorlog snel gegroeid. Maar was de stad daardoor niet veranderd in een ‘steenwoestijn’ waar een ‘harmonisch leven’ niet meer op kon bloeien? Leidde de modernisering niet ook tot vervreemding, en het uiteenvallen van de stedelijke gemeenschap? Of op zijn best tot het ontstaan van een reeks uiteenlopende, geïsoleerde groeperingen? Oud riep deze vragen op in de inleiding van het boek waarin de Commissie Bos de wijkgedachte introduceerde. Dat was een stedelijke ontwerpbenadering gericht op het creëren van gemeenschappen op het niveau van de wijk en de buurt. Daarmee, zo beloofde de commissie Bos, zou de modernestadsproblematiek waar Oud mee worstelde opgelost worden. Bos en zijn commissie deden met het boek zo een ‘filosofische interventie’ in het debat over de toekomst van de stad. Ter discussie stond in de eerste plaats de vraag hoe de stad in tijden van modernisering zou moeten functioneren als samenleving. En vervolgens kwam de vraag aan bod hoe ruimtelijk ontwerpers zo’n conditie af zouden kunnen dwingen.
Ik heb in deze studie laten zien – aan de hand van een aantal historische vergelijkingen, theoretische beschouwingen en een zevental test-cases waarin de toekomst van de stad werd verkend –dat we ons nu, aan het begin van de eenentwintigste eeuw, opnieuw op zo’n filosofisch moment bevinden. Dit keer draait de discussie om de opmars van digitale en mobiele mediatechnologieën in het stedelijke leven. De vragen die daarbij worden opgeworpen lijken verrassend veel op de inzet van het debat vlak na de Tweede Wereldoorlog. Zo zagen we in deel II dat er een gerede vrees leeft dat de stad uiteenvalt in – om het met burgemeester Oud te zeggen – ‘groote agglomeraties van afzonderlijk levende menschen’, die vooral ‘het verband voelen tot de sociale groep waartoe zij behooren.’ Anderen hopen daarentegen juist dat – met dank aan hun interventies – digitale media de stedelijke gemeenschap op nieuwe manieren tot bloei zullen laten komen.
Concreter: het debat spitst zich toe op de mogelijke effecten van twee specifieke affordances (‘latente gebruiksmogelijkheden’) van digitale en mobiele media op de stedelijke samenleving. Dat is in de eerste plaats de mogelijkheid om digitale media te gebruiken als ‘schrijfgereedschap’ waarmee stedelijke ervaringen geregistreerd en gepubliceerd kunnen worden. Stedelingen zelf kunnen ruimtes ‘annoteren’ met foto’s, ervaringen, verhalen en recensies. Via digitale medianetwerken als Facebook en Twitter kunnen ze hun leven publiek maken, en daarbij publieken bereiken die niet fysiek op een locatie aanwezig zijn. Maar de stedeling is niet de enige die het stedelijk leven vast kan leggen met behulp van digitale media. Bedrijven, overheden en instituties registreren met behulp van allerlei sensoren wat er in de stad gebeurt, en slaan die gegevens op in databases. Zelfs dingen kunnen – uitgerust als ‘blogjects’ met locatiesensoren en communicatietechnologieën – hun ‘ervaringen’ in de stad beschrijven.
De tweede affordance van digitale media is die van ‘territory device’ – een apparaat of systeem waarmee een ruimtelijk territorium in het leven geroepen kan worden. Digitale en mobiele media groeien langzaam uit tot een van de middelen waarmee de ervaring van een plek mede vormgegeven kan worden. De stedeling zelf kan zijn smart phone inzetten als ‘filter’ of ‘membraam’. Afwezige anderen kunnen tot een stedelijke situatie worden toegelaten, en de stedeling kan zijn omgeving personaliseren, of zich laten leiden naar plekken in zijn omgeving die overeenstemmen met zijn profiel, of zich juist laten verleiden eens af te wijken van zijn gebaande paden. Opnieuw wordt diezelfde technologie ook top-down toegepast door allerlei instituties. Die hebben de mogelijkheid om personen die al dan niet aan een specifiek profiel voldoen, op bepaalde plekken de toegang te weigeren of hen juist voorrang te verlenen, of subtieler: door een omgeving zo in te richten dat deze voor een specifieke doelgroep (on)aantrekkelijk wordt gemaakt.
De filosofische debatten over de mogelijke effecten van deze affordances spitsen zich toe op de vraag wat hun rol kan zijn in de manier waarop de stedelijke openbaarheid functioneert – die plekken in de stad waar stedelingen elkaar ontmoeten, tegenkomen, met elkaar worden geconfronteerd en al dan niet een publiek met elkaar vormen. Daarbij maakte ik een (ideaaltypisch) onderscheid tussen twee domeinen of sferen: de stedelijke openbaarheid bestaat uit parochiale en publieke domeinen. Het parochiale domein bestaat uit die plekken in de stad waar stedelingen het gevoel hebben dat ze thuis zijn, waar ze onder elkaar zijn, waar de ongeschreven regels (protocollen) gelden van een van de groepen waartoe zij zich rekenen. In het publieke domein domineert juist de ervaring van verschil, het is de plek waar stedelingen met elkaar tot een vergelijk moeten zien te komen. Het publieke domein is ook de ruimte voor politieke representatie, waar stedelingen zaken van algemeen belang bespreken, of op kunnen komen voor hun belangen en die publiek maken, geadresseerd aan de staat of aan de bredere stedelijke gemeenschap. Beide domeinen vervullen een belangrijke functie in de stedelijke samenleving. Filosofen als Arendt, Sennett en Habermas hebben erop gewezen dat zonder goed functionerende publieke sfeer het voortbestaan van de stedelijke samenleving als geheel gevaar loopt. De stedelijke samenleving bestaat per definitie uit de opeenhoping van talloze individuen die vreemden voor elkaar zullen blijven en ook uiteenlopende levenswijzen, ideeën of belangen hebben. Maar op de een of andere manier zullen ze zich toch tot elkaar moeten verhouden. Een democratische samenleving heeft dan ook plekken en instituties nodig waar mensen met verschillende identiteiten en ideeën kennis van elkaar kunnen nemen, elkaar kunnen treffen, vertrouwen op kunnen bouwen, en waar conflicten aan het licht kunnen komen. Dat hoeven natuurlijk niet allemaal instituties te zijn die deel uitmaken van de stedelijke openbaarheid. Politieke conflicten kunnen ook via de media of in politieke arena’s worden beslecht. Maar het stedelijke publieke domein kan daarbij wel een belangrijke rol spelen als sfeer waar stedelingen kennis van elkaar kunnen nemen en vertrouwen op kunnen bouwen. Tegelijkertijd lijken goed functionerende parochiale sferen, plekken waar we ons thuis kunnen voelen, te voorzien in een vrijwel universele psychologische behoefte. De centrale vraag die dan ook steeds weer terug kwam, is de manier waarop parochiale en publieke domeinen in de stad zich tot elkaar zouden moeten verhouden. Of concreter: hoe kunnen wij ons als stedelingen thuis voelen te midden van verschil? Wat is de juiste balans tussen het psychologische comfort van de eigen omgeving, en de noodzaak om ons nu eenmaal te verhouden tot al die andere stedelingen?
Dit vraagstuk heb ik onderzocht door in twee afzonderlijke delen te kijken naar de manier waarop parochiale en publieke domeinen tot stand komen. Daarvoor benaderde ik de stad als een ‘interface’, dat wil zeggen als een platform waarop of waaromheen stedelingen publieken vormen. Met de term interface verlegde ik daarbij de aandacht van de ruimtelijke ontmoeting tussen stedelingen – een benadering die centraal staat bij klassieke studies naar de stedelijke openbaarheid – naar het proces van verhouden als zodanig. Hoe ontstaan stedelijke publieken vanuit het alledaagse stedelijke leven? Hoe en door wie worden stedelingen bij elkaar gebracht? Waar en wanneer en onder welke condities vinden zo processen van uitwisseling plaats? Daarvoor gebruikte ik vier begrippen: op welke platformen vindt uitwisseling plaats, hoe en door wie zijn die geprogrammeerd? Welke filtermechanismes treden daarbij op? Welke protocollen gelden er? Steeds vroeg ik mij ook af bij wie het handelingsmoment ligt: wie bepaalt de programmering, filteringsmechanismes en protocollen? Zijn dat de stedelingen zelf? Of zijn het juist overheidsinstituties en commerciële partijen?
Met de hier genoemde begrippen heb ik –in historisch perspectief- de fysieke stad als interface geanalyseerd. Maar deze manier van kijken is des te urgenter nu de ervaring van de stad in toenemende mate wordt bepaald door de digitale interfaces op de schermen van mobiele media en door de algoritmes van stedelijke sensornetwerken. Wat betekent de opkomst van deze digitale technologieën en mobiele media voor de manier waarop de stad als interface functioneert? Zo komen we weer uit bij de centrale vraag van deze studie, die als volgt luidde:
Welke rol spelen digitale technologieën en mobiele media in de manier waarop stedelingen (ruimtelijk) bij elkaar worden gebracht, zichzelf presenteren, en notie van elkaar nemen? Wat betekent dit voor de manier waarop moderne stedelijke publieken tot stand kunnen komen? En wat betekent dit mogelijk voor de manier waarop de stad als samenleving kan functioneren?
In de rest van deze conclusie zal ik bovenstaande vragen als volgt beantwoorden. Eerst zal ik een korte samenvatting geven van de de manier waarop de stedelijke openbaarheid de afgelopen halve eeuw vorm heeft gekregen. Zo ontstaat een beeld van de bredere ontwikkelingen waar digitale media op ingrijpen. Daarna zal ik kijken naar de manier waarop digitale media het functioneren van de stad als interface veranderen. Hoe verandert de manier waarop de stad fungeert als platform en de manier waarop dit platform wordt geprogrammeerd? Welke filtermechanismes zijn er actief, en welke protocollen gelden er? Daarna zal ik terugkeren naar mijn hoofdvragen en stil staan bij de mogelijke gevolgen hiervan voor de manier waarop stedelijke publieken vorm krijgen, en wat dat betekent voor de manier waarop de stad als samenleving functioneert. Die laatste vraag beantwoord ik door vooral te kijken naar de manier waarop digitale media de verhouding tussen parochiale en publieke domeinen doen verschuiven.
Voor deze conclusies baseer ik mij op de zeven test-cases die ik in dit onderzoek heb besproken. Die waren bedoeld als ‘filosofische peilstift’, als voorbeelden die laten zien welke kant de ontwikkelingen mogelijk op kunnen gaan. Doel daarvan was niet om de toekomst te voorspellen, maar om de ontwikkelingen waar we midden in zitten inzichtelijk te maken; om ze filosofisch te maken. Ik heb daarom gekeken naar de affordances van digitale en mobiele media, een begrip uit de techniekfilosofie dat ik heb vertaald met ‘latente gebruiksmogelijkheden’. Of de mogelijkheden die ik hier heb besproken ook echt uit zullen groeien tot breed gedragen culturele praktijken, valt nog niet met zekerheid te zeggen. Sommige van de hier beschreven mogelijkheden zullen niet worden opgepikt, en digitale media zullen ongetwijfeld ook op nog niet vermoede manieren een rol gaan spelen in het maatschappelijk leven. Welke affordances zullen worden opgepikt, en welke niet is van veel factoren afhankelijk: regelgeving, commerciële kansen en marketing, sluiten ze aan bij bestaande gebruiken, of vullen ze een ‘gat in de markt’? Staan maatschappelijke opvattingen over bijvoorbeeld ‘privacy’ mogelijk bepaalde toepassingen in de weg? Of zullen deze opvattingen juist veranderen door de opmars van deze technologieën?
Wat voor moderne stedelijke publieken er precies zullen ontstaan door de introductie van digitale media, is dus nog niet helemaal duidelijk. Om met Walter Benjamin te spreken: we bevinden ons op een ‘kruispunt’ tussen het revolutionaire moment waarop technologieën zijn geïntroduceerd en alles nog mogelijk lijkt, en het banale moment waarop technologieën zo zijn ingeburgerd dat we ze nauwelijks nog als ‘technologie’ ervaren, en alternatieve gebruiksmogelijkheden uit het zicht zijn verdwenen. Juist daarom acht ik het van belang om de discussie over de rol van deze technologieën in de stedelijke samenleving te voeren en te kijken naar mogelijke scenario’s voor de stedelijke samenleving. Op die manier hoop ik ook ontwerpers, beleidsmakers en gebruikers inzicht te geven in de mogelijke richtingen waarin deze technologie zich nog kan ontwikkelen. Ik zal daarom besluiten met een analyse van de verschillende – vaak impliciete – stedelijke idealen die besloten liggen in de nieuwe technologieën die hier aan bod zijn gekomen en laten zien hoe die verbonden zijn met de manier waarop de stad als gemeenschap zou kunnen functioneren.
Stedelijke ontwikkelingen sinds de wijkgedachte
De hier geschetste tegenstelling tussen parochiaal en publiek domein -waaraan we nog het privé-domein toe kunnen voegen – is een ideaaltypische. Het is de vraag of er ooit een duidelijk ruimtelijk onderscheid tussen de verschillende sferen is geweest, en in ieder geval kunnen we concluderen dat het – mede door de opmars van digitale media als ‘territory device’ – steeds lastiger wordt de verschillende sferen ruimtelijk uit elkaar te houden. Laten we om die ontwikkeling te schetsen nog even teruggrijpen op de wijkgedachte. Bij de wijkgedachte was het uitgangspunt een ‘geleed’ model van de verschillende sferen. Het huis vormde het privé-domein, daaromheen kreeg de alledaagse levenswereld gestalte in het parochiale domein van de wijk en buurt – ‘die sfeer, die kring van het stadsleven die nog geheel als persoonlijk en eigen kan worden gevoeld.’[2] Het publieke domein kreeg dan vorm op het niveau van het stadscentrum. Dat was de plek waar de stedeling op kan gaan in een anonieme massa, waar hij zich kon onttrekken aan de sociale controle van het parochiale domein en waar hij kennis kan nemen van ‘het vreemde het niet-vertrouwde dat de moderne wereldstad kenmerkt.’[3]
Uit onderzoeken die vanaf de jaren vijftig worden gedaan blijkt dat een dergelijk geleed model – mede door de opkomst van vervoersmiddelen als de auto en media als de telefoon en de televisie – niet houdbaar is. De moderne stedeling laat zich niet – als een set matroesjkapoppetjes – vangen in verschillende concentrische gemeenschappen van steeds groter wordende schaalniveau’s (huis-buurt-stad-natie). Maar andersom is ook het idee dat moderne stedelingen steeds verder individualiseren en zich geheel terugtrekken in een privésfeer en van daaruit het eigen leven vorm geven te simplistisch. Socioloog Bary Wellman toonde dat moderne individuen weliswaar in toenemende mate zelf bepalen hoe ze hun leven inrichten, maar dat ze daarbij nog altijd deel uitmaken van allerlei elkaars deels overlappende collectieven die te maken hebben met verschillende sociale rollen die mensen vervullen als ook met hun persoonlijke voorkeuren. Wellman spreekt zo van een ‘networked individualism’. Die ontwikkeling gaat gepaard met de opmars van ‘lichte gemeenschappen’, zo lieten de Nederlandse onderzoekers Duyvendak en Hurenkamp zien. Daarmee doelden ze op publieken die niet zoals traditionele gemeenschappen grote delen van het leven omvatten, maar waarvan lidmaatschap veel meer een (relatief vrijblijvende) keuze is dan een dwingende vanzelfsprekendheid.
Arnold Reijndorp liet zien dat het stedelijke ruimtegebruik op een verwante manier is veranderd. Daarvoor maakte hij gebruik van het begrip ‘netwerkstedelijkheid’: ook de stad zelf laat zich niet meer begrijpen aan de hand van een concentrisch model, waarbij de belangrijkste functies in het centrum zijn verenigd, met in de periferie de woongebieden. Eerder is er een ‘stedelijk veld’ ontstaan, waarin verschillende functies en de parochiale domeinen van uiteenlopende publieken op verschillende locaties opduiken. Om een computermetafoor te gebruiken: de stedeling ‘plakt en knipt’ daarbij zijn eigen stad bij elkaar.
Voor dit onderzoek heb ik gekeken naar de betekenis van deze ontwikkelingen voor de manier waarop parochiale en publieke domeinen tot stand komen. Het antwoord op die vraag hangt deels af van het perspectief: bezien we de stedelijke openbaarheid vooral als een politieke sfeer? Of kijken we eerder vanuit een cultureel-geografisch perspectief? Voor Arendt en Habermas was de publieke sfeer vooral een politieke sfeer, een plek waar stedelingen als burgers bij elkaar komen om zonder aanziens des persoons zaken van algemeen belang te bespreken. De publieke sfeer bestaat dan als plek waar burgers zich vis-a-vis de staat kunnen organiseren en uiten. Die publieke sfeer zetten ze af tegen de privésfeer die bestaat uit het huishouden, waaronder ook economische betrekkingen tussen individuen vallen. Als we die redenering volgen, dan valt de huidige stedelijke openbaarheid (de verzamelterm die ik gebruik voor parochiale en publieke sferen) nu min of meer samen met deze privésfeer. Veel stedelijke plekken staan in het teken van de presentatie van uiteenlopende levensstijlen en de consumptie. De stedelijke openbaarheid is dan ook niet meer in de eerste plaats een plek waar burgers zich organiseren ten opzichte van de staat, stedelijke openbaarheid staat vooral in het teken van de onderlinge, (parochiale) relaties. Een stedelijke publieke sfeer waar burgers enkel nog als burgers aanwezig zijn en een rationeel debat met elkaar voeren over het algemeen belang is hoogst zeldzaam.
Wereldwijd spelen steden beleidsmatig in op deze ontwikkelingen. Openbare ruimtes worden meer en meer in het teken gesteld van vrije tijdsbestedingen als funshoppen. Toezicht via camera’s en allerlei lokale protocollen ontmoedigen afwijkend gedrag, de openbare ruimte moet vooral een prettige en representatieve ruimte blijven. Bovendien krijgen openbare ruimtes ook meer en meer een iconische functie, waarmee steden zich willen onderscheiden van andere steden. Die ontwikkeling wil niet zeggen dat de politieke dimensie geheel is verdwenen. Nog altijd claimen verschillende groepen de openbare ruimtes voor politieke protestbijeenkomsten, om specifieke groepsrechten op te eisen of om door middel van bijvoorbeeld ‘gay pride’ parades de aandacht te vestigen op het bestaan van uiteenlopende levenswijzen. Recente voorbeelden van politieke demonstraties zijn de Spaanse jongeren die aan de vooravond van de verkiezingen in 2011 al kamperend de openbare ruimte bezetten en de volksopstanden in de Arabsische wereld in de lente van datzelfde jaar.
Kijken we naar de cultureel-geografische aspecten van stedelijke openbaarheid, dan kunnen we concluderen dat de parochiale sfeer aan belang heeft gewonnen. We zagen – onder meer onder invloed van de toenemende welvaart – een tendens waarbij stedelingen bij de keuze van hun woning in toenemende mate ‘soortgenoten’ opzoeken. Ook is de rol van de binnenstad enigszins afgenomen. Dat is niet meer de centrale plek waar de belangrijkste functies van het stedelijk leven bij elkaar komen. Daardoor zijn er minder plekken aan te wijzen die fungeren als een klassiek publiek domein: plekken waar alle stedelingen bij elkaar komen en kennis van elkaar kunnen nemen. Dat betekent niet dat er geen momenten van ontmoeting en confrontatie meer zijn. De ruimtelijke sortering van levenswerelden is niet volledig, en de meeste burgers willen zich ook helemaal niet opsluiten in homogene zones waarin ze alleen nog maar ‘soortgenoten’ tegenkomen. De sociale en ruimtelijke netwerken van stedelingen overlappen elkaar nog altijd gedeeltelijk. Zoals Reijndorp en Hajer aantoonden, vinden we de ervaring van een publiek domein (die voor hen grotendeels neerkomt op de ervaring van verschil) vooral wanneer we het parochiale domein bezoeken van die publieken waar we ons zelf niet of slechts gedeeltelijk toe rekenen.
Voortbordurend op deze ontwikkelingen zagen we twee toekomstscenario’s. Lieven de Cauter – en tot op zekere hoogte ook Stephen Graham en Mike Crang – waarschuwde voor een verregaande ‘capsularisering’ van de samenleving. De stedelijke openbaarheid krijgt volgens De Cauter steeds meer een vermaak- en consumptiefunctie die voorbehouden is aan de sociale protocollen van de middenklasse. Het bedrijfsleven stelt de protocollen op en beheert ze. Met dank aan de ‘Disney-stedelijkheid’ die ze zo in het leven roept, kunnen mooie winsten worden behaald. De tegenhanger van deze ‘Disneyficatie’ is een ‘Bronxificatie’: het ontstaan van stedelijke gebieden die geheel aan hun lot over worden gelaten.
Het scenario dat Reijndorp en Hajer schetsten was vriendelijker van aard. Het ideaal van een publiek domein waar iedereen op basis van absolute gelijkheid gebruik van maakt, noemden ze ‘overspannen’. Zolang de verschillende parochiale domeinen elkaar nog deels overlappen, nemen stedelingen nog kennis van elkaar. En meer kun je in een moderne wereld, waarin keuzevrijheid een hoog goed is, misschien ook wel niet verwachten van de stedeling. Tegen deze achtergrond krijgt de ontwikkeling van digitale technologieën en mobiele media op dit moment gestalte. Hoe verandert hierdoor de verhouding tussen private, parochiale en publieke domeinen? Is het denkbaar dat zij een of meerdere van deze scenario’s zullen versterken, of juist tegenwerken?
Digitale Media en de stad als interface
Stedelijke openbaarheid, zo heb ik laten zien, wordt doorgaans bestudeerd als een ruimtelijk fenomeen: hoe verloopt het proces van culturele en politieke uitwisseling tussen stedelingen op specifieke plekken in de stad? Wie zijn daar aanwezig, en wie worden er buitengesloten? Met het frame van ‘de stad als interface’ wilde ik vooral kijken naar de procesmatige aspecten van de manier waarop stedelijke publieken kunnen ontstaan: wie verhouden zich tot elkaar? Hoe en onder welke categorische noemer worden deze groepen bij elkaar gebracht? Hoe en door wie worden de verschillende groepen benoemd en aangesproken? Volgens welk protocol communiceren stedelingen met elkaar, en wie of wat heeft dat bepaald? Door de focus te verleggen van de stedelijke ruimtes naar stedelijke processen wilde ik ruimte scheppen om ook allerlei niet-ruimtelijke factoren te betrekken in deze processen, zoals het gebruik van digitale en mobiele mediatechnologieën. Bovendien hoopte ik zo met een meer open blik naar het vraagstuk van de stedelijke samenleving te kunnen kijken. Niet alleen keek ik naar de manier waarop digitale media ingrijpen in bestaande ruimtelijke processen, maar ik stelde ook de vraag of er door digitale media misschien nieuwe stedelijke praktijken en daarmee manieren van uitwisseling ontstonden.
De manier waarop de stad als interface werkt, beschreef ik steeds aan de hand van vier begrippen: platform, programmering, filter en protocol. Met platform bedoelde ik het podium waarop of de arena waarin publieken gevormd kunnen worden. Dat kan een plein zijn, een straathoek, een boulevard of een institutionele ruimte zoals een café, debatcentrum of shopping mall. Het zijn de plekken waarop stedelingen hun leven publiek maken, waar ze al dan niet bewust aan andere stedelingen laten zien wie ze zijn of wat ze vinden. Digitale media veranderen de platformfunctie van de stad op twee manieren. In de eerste plaats vindt er een ‘verdubbeling’ plaats. Digitale mediabestanden kunnen worden gekoppeld aan fysieke plaatsen. Foto’s, verhalen, schetsen voor nieuwe bouwplannen of herinneringen aan historische gebouwen en gebeurtenissen kunnen worden gekoppeld aan een locatie en desgewenst ook op die locatie worden bekeken. Ook kunnen stedelingen hun leven publiek maken via digitale (sociale) netwerken. Wat ze doen is niet alleen zichtbaar in de fysieke ruimte, maar ook via Twitter en Facebook. Ook instituties registreren wat zich in stedelijke ruimtes afspeelt in allerlei databases – denk aan cameraopnames of aan de sporen die stedelingen achterlaten met hun ov-chipkaart, bonuskaart, creditcard en andere mechanismes.
Die verzameling van data kan, en dat is ook nieuw, weer eigenstandig als een stedelijk platform functioneren. Op basis van al die verzamelde data kunnen collectieve patronen zichtbaar worden gemaakt en zo de basis vormen voor allerlei nieuwe diensten. Zoals de negentiende-eeuwse boulevard een platform was waarop een nieuw type stadsleven op kon bloeien, zo vormen ook deze datastromen nu een nieuw platform dat kan leiden tot nieuwe manieren om diensten te ontwikkelen en publieken te organiseren. In de testcases over de ‘straat als platform’, en ‘Wikicity’ zagen we hiervan uiteenlopende voorbeelden.
Ik gebruikte de term platform zo om de stad als een podium te beschrijven waarop stedelingen hun leven publiek kunnen maken. Maar een platform is niet meer dan een potentiële ontmoetingsplek. Publieken kunnen pas worden gevormd als een platform daadwerkelijk wordt gebruikt. De programmering en de geldende protocollen spelen een belangrijke rol bij wat er zich precies op het platform af gaat spelen. Zo zagen we bijvoorbeeld dat Jane Jacobs pleitte voor een programma gebaseerd op functiemenging en de aanwezigheid van publieke figuren om ervoor te zorgen dat de stadsstraat inderdaad als platform ging functioneren waarop buurtbewoners een publiek vertrouwen met elkaar op konden bouwen. Daarbij is de programmering van een plek en de manier waarop daar specifieke culturele protocollen gaan gelden een combinatie van top-down ontwerp en bottom-up gebruik. Een bepaalde programmering kan werken als een ‘katalysator’, maar specifiek ruimtegebruik laat zich zeer lastig dwingend van bovenaf opleggen. Kijken we naar digitale media dan zien we dat die op verschillende manieren ingrijpen in de programmering van een ruimte. Een eerste voorbode daarvan zagen we bij de plannen voor een Plug-in-City van Archigram. Deze groep architecten en kunstenaars voorzag een fysieke stad waarvan de programmering niet vast lag, maar die – met behulp van grote kranen die onderdelen van de stad konden verplaatsen – steeds aangepast kon worden aan de omstandigheden. Een Computer-City verzamelde daartoe allerlei gegevens over wat er in de stad gebeurde. Hun architectuur werd zo een ‘scene-machine’, een machine die steeds nieuwe scenes – een nieuwe programmering – kon genereren. Ik heb hier steeds laten zien hoe mobiele media op enigszins vergelijkbare wijze kan fungeren als ‘territory device’. Met dit verschil: de uiteenlopende ‘scenes’ komen niet tot stand door de fysieke programmering van de stad te veranderen, maar via softwarematige interventies. Daardoor wordt het voor individuele stedelingen mogelijk ruimtes te ‘herprogrammeren’ vanuit hun individuele behoeftes. Met de smart phone app Grindr wordt een winkelstraat een cruising zone, met Facebook op de mobiele telefoon wordt een centraal, openbaar plein een huiskamer. Ook de top-down programmering van een ruimte kan met behulp van software worden aangepast. ‘Urban screens’ kunnen van inhoud veranderen op basis van wie ernaar kijkt, en interactieve systemen kunnen bepaalde groepen al dan niet toegang verlenen of juist aanmoedigen een plek te bezoeken.
Deze ontwikkelingen hebben zo dus ook grote gevolgen voor de manier waarop de stedelijke interface als filter fungeert. Die kan met behulp van software per individu of per plaats worden ingesteld. Bovendien kunnen de categorieën op basis waarvan stedelingen worden in- en uitgesloten op nieuwe manieren worden benoemd. De gegevens die de straat als platform genereert kunnen bijvoorbeeld leiden tot nieuwe definities van specifieke levensstijlen op wie een ruimtelijke ervaring of ontwerp al dan niet wordt aangepast, zo zagen we in de test-case over de ‘Levensstijlen van Funda’.
Dit alles leidt ook tot een verandering van de manier waarop protocollen – door mij gedefinieerd als een specifieke manier van doen die als algemeen geldend wordt ervaren in een bepaalde sociale context – vormkrijgen. Protocollen bestaan uit verschillende soorten codes: wetten (legal code) en culturele praktijken (cultural code), waaraan nu ook software (computer code) kan worden toegevoegd: protocollen kunnen worden vastgelegd in computercodes en die codes bepalen voor een deel hoe interactie tussen stedelingen tot stand kan komen. Denk bijvoorbeeld aan de categorieën die in programma’s als Facebook in zijn gebakken en de gebruikers ‘dwingen’ om zich volgens die logica te beschrijven. Een ander voorbeeld is computersoftware die een analyse maakt van camerabeelden in een winkelcentrum. De beelden worden dan geanalyseerd op basis van specifieke algoritmes waarin is vastgelegd wat al dan niet als ‘normaal’ gedrag geldt . Wanneer de inhoud van de beelden niet voldoet aan wat volgens het computerprogramma het algemeen geldende protocol is, gaan er alarmbellen af. De test-case over Body Movies liet nog zien dat dergelijke protocollen op verschillende manieren ontworpen kunnen worden. In ‘reactieve’ systemen ligt het protocol vast in de software. Bij gebeurtenis X volgt dan automatisch reactie Y. Bij interactieve systemen is er meer ruimte voor de gebruikers om zelf aan het protocol invulling te geven. In de volgende paragraaf zal ik ingaan op de vraag wat al deze verschuivingen betekenen voor de manier waarop moderne stedelijke publieken gevormd kunnen worden.
Digitale media en moderne stedelijke publieken
Ik heb in deze studie steeds een performatieve definitie gebruikt van stedelijke publieken. Dat wil zeggen: publieken kunnen ontstaan wanneer stedelingen (een deel van) hun leven publiek maken en anderen daar notie van nemen. Dat kan doordat stedelingen hun opvattingen publiek maken tijdens een rationele discussie in het koffiehuis, dat kan al flanerend over de grotestadsboulevard, danwel tijdens het doen van een boodschap in de buurtwinkel of op honderd-en-een andere manieren. Waar het om gaat is dat stedelingen in alledaagse situaties bedoeld of onbedoeld aan elkaar laten zien wie ze zijn. Op basis van deze ‘performances’ kunnen ze hun levenswijzen of standpunten met elkaar vergelijken en zo collectieven vormen of zich juist van elkaar afzonderen. Daarbij heb ik laten zien dat de locaties waarop die processen van uitwisseling plaatsvinden ook een symbolische betekenis kunnen krijgen, waaromheen imagined communities gevormd kunnen worden. Aan de hand van de zeven test-cases heb ik vervolgens laten zien hoe de affordances van nieuwe media mogelijk ingrijpen in deze processen. Ik zal hier nu de drie hoofvragen van dit onderzoek beantwoorden op basis van de bevindingen uit deze test-cases.
Welke rol spelen digitale technologieën en mobiele media in de manier waarop stedelingen (ruimtelijk) bij elkaar worden gebracht, zichzelf presenteren, en notie van elkaar nemen?
Laten we om die vraag te beantwoorden eerst kijken naar de rol van digitale media in de manier waarop stedelingen zichzelf presenteren in het alledaagse stedelijke leven. Enerzijds is er daarbij sprake van een toenemende reflexiviteit. Digitale media vormen een schrijfgereedschap waarmee stedelingen hun stedelijke ‘performances’ online kunnen weergeven, bijvoorbeeld door via status updates of op blogs te beschrijven wat ze waar aan het doen zijn. Danah Boyd liet zien hoe de status-updates van sociale netwerken een nieuw platform bieden voor wat Goffman ‘impression management’ noemde. Daarbij geldt dat de ‘performance’ die de jongeren uit haar onderzoek via sociale media publiek maakten, vaak uit een zorgvuldige constructie bestond, waarbij ze heel bewust specifieke keuzes maakten over wat ze wel en niet publiceren. ‘[this] is the first generation’, schreef Boyd, ‘to have to publicly articulate itself, to have to write itself into being as a precondition of social participation.’[4] Dit kan een bredere ontwikkeling stimuleren die in dit onderzoek aan het licht kwam waarin symbolisch ruimtegebruik belangrijker werd om sociale status te markeren. Via sociale media laat je aan de hand van waar je bent, zien wie je bent. Daarbij kunnen locaties ook symbolisch gebruikt worden zonder dat de gebruiker er daadwerkelijk bivakkeert: aan je online profiel kun je plaatsen toevoegen waarmee je je graag associeert, waarvan je je de symbolische betekenis graag toe wil eigenen. Een voorbeeld hiervan zagen we in de test-case over de manier waarop bewoners van Pendrecht Hyves gebruiken om hun levenswijze publiek te maken.
Anderzijds zagen we ook dat ook allerlei instituties de affordance van digitale media als ‘schrijfgereedschap’ gebruiken. Daardoor laten stedelingen juist min of meer onbewust allerlei sporen achter in verschillende databases. Nummerborden worden geregistreerd door snelwegcamera’s, mobiele telefoondragers geven hun locatie continu door aan hun providers, camera’s met gezichtherkenningssoftware kunnen registeren wie er gebruik maakt van het openbaar vervoer. Deze gegevens kunnen zowel op individueel als collectief niveau publiek gemaakt worden – al is het publiek maken van dergelijke gegevens natuurlijk een privacy-gevoelige kwestie. Individueel kunnen dergelijke publieke gegevens een rol spelen bij de opkomst van ‘reputatiesystemen’ en zo een rol spelen bij het opbouwen van wederzijds vertrouwen. Publicatie van iemands geregistreerde gebruik van een bepaalde hulpbron kan bijvoorbeeld een rol spelen bij het collectieve beheer van hulpbronnen. Met behulp van datavisualisatie kunnen ook collectieve ritmes zichtbaar worden gemaakt, en zo kunnen nieuwe patronen, categorieën of levensstijlen worden benoemd waarin stedelingen zich al dan niet kunnen herkennen of waarmee allerlei instituties stedelingen kunnen categoriseren.
Daarmee zijn we aangekomen bij de vraag hoe stedelingen met behulp van digitale media kennis van elkaar kunnen nemen en bij elkaar worden gebracht. Hier speelt vooral de affordance van digitale media om als ‘territory device’ te kunnen worden ingezet. Ik beschreef hierboven al hoe zowel personen als instituties de ruimtelijke ervaring kunnen ‘herprogrammeren’ door digitale media in te zetten als ‘filter.’ Ito et. al. lieten bijvoorbeeld zien hoe de mobiele telefoon het beste begrepen kan worden als een ‘membraan’. Dankzij de mobiele telefoon kunnen stedelingen de hele dag door contact houden met personen uit hun netwerk, de telefoon is dan een membraan waarmee ze afwezige anderen al dan niet toe kunnen laten tot hun ervaringswereld. ‘Nabijheid’ is zo niet meer per se dat wat fysiek dichtbij is, maar wat snel kan worden opgeroepen of gevonden kan worden. We zagen in het eerste deel hoe uit sociologisch onderzoek van onder meer Rich Ling bleek dat stedelingen mobiele telefoons zo vooral gebruiken om contacten met mensen uit het eigen netwerk te verstevigen – zelfs als die anderen niet fysiek aanwezig zijn. Dit gaat ten koste van het terloopse contact met onbekenden. In plaats van de weg te vragen aan een onbekend iemand op straat, bellen we liever een bekende op die ons via de telefoon naar de gezochte locatie toe kan loodsen. Of we bellen helemaal niet meer, maar gebruiken smartphone apps als CitySense om ons te laten dirigeren naar een plek in de buurt waar we leden van onze eigen ‘stam’ aan zullen treffen.
Wat betekent dit voor de manier waarop moderne stedelijke publieken tot stand kunnen komen?
In de eerste plaats lijken de bovenstaande voorbeelden vooral een bredere ontwikkeling van parochialisering, domeinvorming en de opkomst van netwerkstedelijkheid te versterken. Ruimtelijk gezien kan dat tot twee ontwikkelingen leiden. Enerzijds kan digitale technologie worden ingezet om parochiale domeinen ook ruimtelijk sterker af te bakenen. Elektronische toegangspoorten, dynamische beprijzingsmechanismes of cameratoezicht kunnen diegenen die niet tot de parochie worden gerekend (of wie zich niet aan het protocol houdt) buitensluiten, of op subtielere manier: de plek voor hen minder aantrekkelijk maken. Digitale media kunnen zo de harde grenzen tussen de domeinen van verschillende stedelijke groepen versterken. Stephen Graham sprak in dat verband wel van ‘software sorting geographies’ – met behulp van software die bijvoorbeeld gedragsanalyses maakt, worden mensen met verschillende achtergronden ruimtelijk gesorteerd.
Een ander scenario zagen we bij Antony Townsend die (met een verwijzing naar Foucault) juist de opkomst van ‘heterotopische plaatsen’ voorspelde. Dat zijn stedelijke locaties waar voor verschillende gebruikers verschillende protocollen tegelijkertijd gelden. Verschillende publieken kunnen dezelfde ruimtes gebruiken, maar ter plekke vooral contact onderhouden met de ‘leden’ uit het eigen publiek. Een softwarelaag helpt dan om duidelijk te maken wie er precies bij het eigen publiek horen (bijvoorbeeld wie van de passanten een ‘cruisende homo’ is op zoek naar een date en wie niet), en welke micro-locaties in de buurt als ontmoetingsplek gelden. Dit kan een bredere stedelijke ontwikkeling stimuleren, die in de stedelijke literatuur wel Living Together Apart wordt genoemd: verschillende parochiale domeinen in de stad liggen hemelsbreed naast elkaar, maar de symbolische afstand is groot. Townsend voorspelt – en ik volg hem daarin – dat steden door deze mogelijkheid in de toekomst groter, dynamischer en heterogener kunnen worden. De stedelijke chaos die door deze intensivering ontstaat, blijft ‘bewoonbaar’ dankzij de affordance van de mobiele telefoon om als ‘territory device’ te functioneren en stedelingen naar voor hun relevante locaties te loodsen en met voor hen relevante publieken in contact te brengen.[5] Beide scenario’s (‘software sorting’ en ‘living together apart’) hoeven elkaar niet uit te sluiten. Het is heel goed denkbaar dat in sommige delen van de stad de controle met behulp van software toeneemt en aan die locaties een stringente eenduidige logica wordt opgelegd (denk bijvoorbeeld aan winkelcentra waar alleen een winkelend publiek welkom is), terwijl andere delen van de stad juist heterogener worden in gebruik.
Zowel in deel I als in deel II zagen we daarnaast ook een aantal voorbeelden van de manier waarop digitale media ingezet kunnen worden om juist stedelingen van verschillende achtergronden bij elkaar te brengen. ‘Discovery’-diensten kunnen ook zo worden ontworpen om stedelingen te verleiden eens af te wijken van hun gebaande pad; de installatie Body Movies van Lozano-Hemmer uit test-case 7 was een voorbeeld van een manier waarop in het interface-ontwerp nieuwe protocollen voor sociale interactie vorm kunnen krijgen. Doel van deze installatie was om – duidelijk geïnspireerd door de Situationisten – met een groot spektakelstuk de bestaande protocollen van een ruimte tijdelijk uit te schakelen. Door in het interface-ontwerp bovendien een spel-element in te bouwen, konden nieuwe relaties worden uitgelokt. Ook vanuit een scenario van Living Together Apart kan uit het gedeelde ruimtegebruik op een nieuwe manier een publiek ontstaan. Het Weblog Pendrecht was een voorbeeld waarin blogger Mario Bosch een brug legt tussen de verschillende publieken die in Pendrecht aanwezig zijn.
Daarnaast zagen we dat door het publiek maken van verzamelde gegevens over het stedelijk leven, de stad op een nieuwe manier als platform kan gaan functioneren. Op of rond dat nieuwe platform kunnen op een nieuwe manier publieken ontstaan. Stedelingen kunnen zich misschien gaan identificeren met collectieve ritmes die zichtbaar worden gemaakt. De verzamelde data kunnen ook issues aan het licht brengen die iedereen in de stad aangaan, en op basis waarvan een publiek tot stand kan komen – het project In the Air was hier een voorbeeld van. Datavisualisaties van stedelijke processen kunnen mogelijk dezelfde rol gaan spelen die Habermas toekende aan cultuurproducten uit de zeventiende en achttiende eeuw als de roman en de krant: als conversation piece stellen ze issues aan de kaak waaromheen zich een publiek kan vormen. Het idee van de stad als dataplatform kan ook worden ingezet om systemen te ontwikkelen voor het beheer van stedelijke hulpbronnen. Zaken die tot nog toe privé-waren (bijvoorbeeld het bezit van een auto) kunnen met behulp van ritregistratie en reputatiesystemen worden ‘gecollectiviseerd’ en rond het alledaagse gebruik van zo’n hulpbron zou ook weer een nieuw type publiek kunnen ontstaan.
Wat de meeste van de hier beschreven publieken met elkaar gemeen hebben, is dat ze voortborduren op de bredere ontwikkeling van ‘networked individualism’. Dat wil zeggen: het individu maakt deel uit van een aantal uiteenlopende, deels overlappende publieken. Digitale media maken het gemakkelijker om de verschillende rollen en ‘performances’ die daarbij horen te coördineren en zo het contact met al die publieken te onderhouden. Die ontwikkeling wordt misschien nog wel het best geïllustreerd aan de hand van de interface van GPS-navigatiediensten. Het individu staat daarop altijd in het centrum van de kaart, en daarmee in het centrum van zijn eigen universum. Die kaart is bovendien geen statische representatie van de stad maar in toenemende mate een ‘levende landkaart’. Om hem heen ziet de gebruiker dan de voor hem relevante personen of plekken – gebaseerd op zijn profiel, zoals we bijvoorbeeld zagen in de test-case over CitySense. Tegelijkertijd overlappen de publieken waar de stedeling deel van uitmaakt elkaar ook deels, en is het individu zo een knooppunt dat ook weer verbindingen kan leggen tussen al die verschillende netwerken. Rond die knooppunten kan ook op een nieuwe manier een ‘publiek domein’ ontstaan. Een weblogger als Mario Bosch maakt deel uit van talloze uiteenlopende publieken die in Pendrecht deels naast en deels door elkaar heen leven. Op zijn weblog brengt hij met zijn beschrijvingen van alle activiteiten in de wijk de verschillende publieken bij elkaar. Zijn weblog fungeert zo als mogelijk knooppunt dat vervolgens een publiek trekt dat bestaat uit ‘leden’ van al die verschillende publieken waar Bosch deel van uitmaakt. En zo kan rond zijn website weer een nieuw publiek ontstaan.
Zo versterken digitale media een ontwikkeling die ik in de inleiding aanduidde met de opkomst van – in Albrows termen – ‘sociospheres’ en ‘socioscapes’. ‘Sociospheres’ staan voor die verzameling plekken in de stad die voor individuele stedelingen van belang zijn. Die plekken zijn nu niet alleen meer fysiek, maar de ervaring daarvan wordt deels ook door digitale media bepaald. Stedelingen kunnen bijvoorbeeld ook plekken aan hun ‘sociosphere’ toevoegen waar ze nooit komen, maar waarvan ze de symbolische betekenis wel belangrijk vinden voor hun identiteit. De ‘sociosphere’ bestaat zo uit de verzameling van parochiale domeinen waartoe de stedeling zich rekent. Het ‘socioscape’ beschreef Albrow als het steeds wisselende landschap van elkaar kruisende paden van stedelingen, dat zijn de punten van overlap waar steeds tijdelijk een publiek domein kan ontstaan. Met een specifieke (digitale) programmering kan de overlap tussen verschillende publieken mogelijk zichtbaar worden gemaakt. Maar zo’n publiek domein komt niet altijd vanzelf tot stand wanneer de wegen van stedelingen uit uiteenlopende publieken elkaar kruisen. Met de mobiele telefoon als ‘territory device’ kan de individuele stedeling zich ook weer aan een eventuele ontmoeting onttrekken.
Wat betekent dit mogelijk voor de manier waarop de stad als samenleving kan functioneren?
De filosofische discussie over de stad als samenleving heeft een sterk normatief karakter. In essentie komt die discussie neer op de vraag wat de juiste verhouding zou moeten zijn tussen het privé, het parochiale en het publieke domein. De vraag wat de hier boven geschetste ontwikkelingen betekenen voor ‘de stad als samenleving’ hangt dus ook sterk af van het samenlevingsideaal dat men aanhangt. Laten we daarom eerst naar de verschillende normatieve uitgangspunten kijken die we in de discussie zijn tegengekomen. Of meer concreet: wat is het stedelijk ideaal dat verscholen zit in de verschillende stedelijke interventies – of die nu afkomstig zijn van architecten, beleidsmakers of ontwerpers van apps? Dan zal ik daarna ingaan op de manier waarop digitale media de verhouding tussen de domeinen mogelijk doet verschuiven, en wat dat betekent voor het ideaal waarop ik hier de aandacht wil vestigen: dat van de moderne, democratische stedelijke samenleving.
In de verschillende hoofdstukken zijn we grofweg drie typen stedelijke idealen tegengekomen, die we kunnen ordenen op een ideaaltypische as die loopt van communautaire gemeenschapsidealen aan de linkerkant naar libertaire opvattingen rechts. Ergens aan de linkerkant op deze as treffen we dan de wijkgedachte zoals die werd verwoord door de commissie Bos. Bos stelde voor om wijken zo te ontwerpen dat er een harmonische lokale gemeenschap zou ontstaan die grote delen van het alledaagse leven zou omvatten en waarvan het lidmaatschap verplicht was. De programmering van de wijk en de aandacht voor gemeenschappelijke protocollen werd daarbij van groot belang geacht. Zo pleitte de commissie Bos voor het opzetten van een sociaal programma dat door ‘morele leiders’ aangejaagd zou moeten worden. De stedeling moest zo deel uit gaan maken van een culturele gemeenschap, en de wijk moest uitgroeien tot het parochiale domein van die gemeenschap.
In het midden van onze ideaaltypische as komen we de ideeën tegen van onder meer Lotte Stam-Beese. Voor haar moest de stad vooral de vrijheid bieden om te kiezen uit uiteenlopende individuele levenswijzen. Evenwel mogen stedelingen zich van haar niet geheel afzonderen in hun eigen privésfeer. Met elkaar vormen ze een stedelijke gemeenschap en delen ze de verantwoordelijkheid voor het welzijn van de stedelijke samenleving. De stad is de ‘hofstede der democratie’[6], schreef Stam-Beese. Daarmee vertoont haar ideaal ook overeenkomsten met de republikeinse opvattingen van onder meer Arendt en Sennett, waar de stedeling vooral een actief burger is die zelf handelend optreedt. Stam-Beese hoopte haar ideale stedelijke gemeenschap af te kunnen dwingen met haar programma voor de Pendrechtse wooneenheid. De vijf woonblokken die zij rond een gemeenschappelijke binnentuin groepeerde werden ontworpen voor stedelingen met uiteenlopende levensstijlen. Die programmering moest zowel enige vrijheid van sociale controle als ook een zekere wederzijdse betrokkenheid tot stand brengen. Pendrecht zou zo uit moeten groeien tot een plek waar parochiaal en publiek domein in elkaar overvloeien.
Nemen we nog een stap naar rechts op de as van stedelijke idealen dan komen we uit bij een libertair stedelijk ideaal: dat van de stad als markt. In die visie is de stad een plek waar iedereen in vrijheid zijn eigen individuele leven leidt, maar waar stedelingen vrijwel geen wederzijdse verplichtingen of verantwoordelijkheden hebben. De stedeling is in de eerste plaats een consument van verschillende diensten, en de stad is dan vooral een platform waarop vraag en aanbod op uiteenlopende gebieden elkaar kunnen treffen. Politieke en culturele aspecten verdwijnen naar de achtergrond of worden als een privézaak gezien. De stad bestaat dan ook vooral uit private of parochiale sferen.
Ik wil beargumenteren dat een moderne democratische samenleving het meest gebaat is bij het middelste model. Een stad als communautaire gemeenschap waarop de nadruk vooral ligt op gemeenschappelijke culturele protocollen, is te dwingend en biedt weinig individuele vrijheid. Een stad die vooral als platform wordt gezien, biedt juist veel vrijheid. Maar zonder gemeenschappelijke protocollen en zonder programma dat momenten van overlap creëert wordt de stad voor grote groepen mogelijk onleefbaar of dreigt verregaande segregatie. Van Arendt, Habermas en Sennett neem ik daarbij de notie over dat de ervaring van verschil een belangrijke is voor het stedelijke leven. Alleen geloof ik niet in het bestaan van ‘spaces of-zero culture’, een puur publiek domein waar stedelingen hun individuele identiteit afleggen om met elkaar tot een vergelijk te komen. Eerder trek ik lering uit de lessen van Jacobs en Blokland die lieten zien dat voor een goed functionerende stedelijke openbaarheid een goede afstemming tussen ‘vreemd’ en ‘vertrouwd’ nodig is. Er moeten ook in de publieke sfeer voldoende aanknopingspunten zijn voor stedelingen waarin zij zichzelf kunnen herkennen, en enige duidelijkheid over de geldende protocollen. Betrekken we deze opvattingen op het publieke domein, dan komen we zo uit in de buurt van Boomkens stedelijke ideaal van de ‘drempelwereld’, waar de stedelijke ervaring enerzijds tot stand komt als ‘een open en onvoorspelbaar proces van wisselwerking’, maar waarbij de omgeving tegelijkertijd voldoende aanknopingspunten biedt om je er thuis te kunnen voelen. Dat is natuurlijk ook een wat vrijblijvende positie. Het is onmogelijk om bij voorbaat vast te stellen wat een juiste verhouding is tussen ‘vreemd’ en ‘vertrouwd’, noch is die verhouding statisch. Stedelijke openbaarheid is dan ook geen exacte wetenschap, en het ontwerp van de stad als interface eerder een kwestie van uitproberen dan van het uitwerken van vooraf vastgelegde parameters.
Op wat voor manier dragen de ontwikkelingen op het gebied van digitale media al dan niet bij aan het bestendigen van dit stedelijke ideaal? Om die vraag te beantwoorden zal ik eerst kijken naar wat ik het ‘handelingsmoment’ heb genoemd. Wie geeft de ontwikkelingen op het gebied van digitale media eigenlijk vorm? Het is lastig om op die vraag op dit moment een eenduidig antwoord te geven. Kijken we bijvoorbeeld naar de manier waarop de stad als platform fungeert, dan zien we aan de ene kant de ontwikkeling van gesloten systemen volgens wat Dan Hill het ‘Locked Down Street’-scenario noemde. Daarin zijn het vooral commerciële partijen die diensten ontwikkelen en de stedeling als individuele consument aanspreken. Uitgangspunt voor het ontwerp is vooral het idee van ‘The city as service’ – de stad als een verzameling diensten die nu efficiënter georganiseerd kunnen worden, en op de individuele stedeling kunnen worden afgestemd. Tegelijkertijd zien we ook een groot aantal initiatieven die vallen onder wat Hill het ‘Open Source Street’-scenario noemt. Overheden investeren in ‘Open Data’ programma’s, waarmee bedrijven, burgers en instituties zelf apps kunnen ontwikkelen die aansluiten bij hun behoeftes.
Kijken we naar de vraag wie de programmering van stedelijke ruimtes kan verzorgen, dan zien we een soortgelijke spanning tussen twee gelijktijdige ontwikkelingen. Enerzijds zien we dat digitale media ingezet worden om op een locatie specifieke publieken toegang te verlenen, of te controleren of ze zich wel aan het protocol houden. In Engeland was er na de rellen in de zomer van 2011 discussie over de vraag of de overheid het recht had om communicatienetwerken tijdelijk uit te schakelen of te filteren. Ook zagen we hoe in de Chinese stad Shenzhen de Chinese overheid politieke demonstraties wil voorkomen met een systeem van duizenden camera’s, uitgerust met software die gedragsanalyses maakt en bovendien beschikt over gezichtsherkenningstechnologie. Maar tegelijkertijd maken ook bij uitstek de mobiele telefoon en sociale media het voor burgers makkelijker om die protestdemonstraties te organiseren. Stedelingen beschikken dus ook zelf over nieuwe manieren om stedelijke ruimtes te programmeren. De vraag bij wie het handelingsmoment ligt, is vooralsnog dus nog onbeslist. Wel bestaat er in het bredere domein van internetstudies een zorg dat ideeën als – vrij vertaald – ‘The Media as a Service’ en het ‘Locked Down Media’-scenario op dit moment een groot momentum hebben.[7] Ik deel die zorg en denk dat we ons niet moeten laten misleiden door al te optimistische boodschappen over de democratiserende werking van digitale media.
Wat betekent dit voor de manier waarop de stad als gemeenschap vorm krijgt? Ook hier zien we verschillende ontwikkelingen tegelijkertijd, die voor het ideaal van een democratische stedelijke gemeenschap zowel kansen als bedreigingen opleveren. Daarbij vertroebelt het zicht op de ontwikkelingen enigszins omdat de grenzen tussen privé, parochiaal en publieke domein vervagen. In ieder geval zijn deze drie sferen ruimtelijk niet langer van elkaar te onderscheiden. Digitale media kunnen met recht als ‘territory device’ worden begrepen, waarmee de stedeling vrijwel op elk moment en op elke plek de sfeer die hij verkiest op kan roepen. Daarmee lijken digitale media vooral een tendens van parochialisering te versterken, en in te spelen op de opkomst van fenomenen als ‘networked individualism’ en netwerkstedelijkheid. Om met Benjamin te spreken: meer dan ooit wordt de stedelijke ervaring die van een caleidoscopisch labyrint. Maar dankzij de gps op onze smartphone hoeven we daar niet langer in te verdwalen en kunnen we doodlopende steegjes eenvoudig vermijden. Maar zo lopen we ook het risico dat we – om bij Benjamin te blijven – ons zelfs midden in het stedelijke labyrint ontwikkelen als ‘etui-mensen’ die zich overal in de stad omhullen met hun eigen cocon.
Ik heb verder laten zien dat een duidelijk herkenbaar publiek domein dat alle stedelingen ondanks al hun verschillen bij elkaar moet houden, en dat fungeert als de haakjes die de hele stedelijke gemeenschap bij elkaar houden, nog lastig te vinden is. Maar dat is niet per se een bedreiging van de stedelijke gemeenschap. Zo liet onder meer Adriaan Geuze zien dat die ontwikkeling ook een vorm van emancipatie kan zijn, of in ieder geval de vrijheid biedt het leven naar eigen inzicht vorm te geven. Het risico dat de stad daadwerkelijk uit elkaar valt in een verzameling los van elkaar staande parochiale domeinen, ontstaat op het moment dat er geen enkele overlap meer is tussen de netwerken van uiteenlopende groepen stedelingen. Niet de parochialisering an sich is het probleem, stelden Reijndorp en Hajer vast, maar het ideaal van een stedelijke publiek domein als neutrale ontmoetingsplaats voor alle burgers. Zo lang de verschillende werelden elkaar nog raken, hoeven we niet al te bevreesd te zijn. Het publieke domein is zo niet meer een afgebakende ruimte, maar wordt eerder een ‘moment’ dat tot stand komt wanneer verschillende werelden van verschillende stedelingen elkaar tijdelijk overlappen.
Hoe zit het dan met de momenten van overlap? Op wat voor manier kunnen digitale media bijdragen aan het creëren van dat soort ‘publieke momenten’? Kan dat door de een of andere programmering van ‘de stad als interface’ worden opgeroepen, waarbij digitale media niet alleen als ‘filter’ maar zo nu en dan ook als ‘brug’ kan functioneren? Ik heb een reeks uiteenlopende voorbeelden van de manier waarop digitale media daaraan bij kunnen dragen. Denk bijvoorbeeld aan de ontwikkeling van de straat als open source platform, de opkomst van data-aggregatie als manier om collectieve issues te benoemen, of het gebruik van digitale media om de overlap tussen verschillende individuele netwerken zichtbaar te maken. Evenwel heb ik ook laten zien dat het zeer lastig is, zo niet onmogelijk, om een gemeenschap of publiek door ontwerpinterventies van bovenaf in het leven te roepen. Alleen het opzetten van een ‘platform’ – zoals in het voorbeeld van de ‘Open Source Street’ is een begin, maar nog geen garantie voor het ontstaan van ‘publieke momenten’. Een specifiek programma kan daartoe een aanzet doen, maar of het ook zal slagen is vooraf lastig te voorspellen.
Jane Jacobs liet zien dat ontwerpers wel op zoek kunnen gaan naar de katalysatoren die een rol spelen bij de manier waarop stedelijke publieken ontstaan. Wat zouden dan de katalysatoren zijn die hierbij in de hybride stad een rol zouden kunnen spelen? Het lijkt erop dat hier opnieuw het idee van ‘networked individualism’ een belangrijk uitgangspunt kan zijn. Een voorbeeld daarvan vonden we onder meer in de studies van Wellman en Hampton naar de Canadese buitenwijk Netville. Zij lieten zien dat een mailing-list in die wijk bijdroeg aan het in stand houden van een lokaal publiek. De mailing-list creërde een aantal publieke momenten, waarop de werelden van de verschillende bewoners elkaar raakten. Maar dat gebeurde vooral omdat de mailing-list aansloot bij de individuele behoeftes van de bewoners. Met andere woorden: men werd geen lid van de mailing-list omdat men heel graag met de hele buurt een gemeenschap wilde vormen. Men werd lid omdat die lijst voorzag in een aantal praktische behoeftes. Zo kunnen we concluderen dat de kans op het creëren van een ‘publiek moment’ toeneemt, wanneer de programmering van een platform aansluit bij de individuele voorkeuren van de beoogde gebruikers. Om bij dit voorbeeld te blijven: de kans dat een van bovenaf opgelegd platform voor de vorming van een gemeenschap of publiek (‘hier is een website waarop alle bewoners van deze wijk zich aan elkaar kunnen presenteren’) slaagt, is minder groot dan wanneer zo’n platform en de programmering ervan aansluiten bij de specifieke behoeftes van de gebruikers. (Hier is een website waar buurtbewoners op zoek kunnen gaan naar of zich aan kunnen bieden als oppas). Op soortgelijke wijze zal een project als In the Air, dat door de visualisatie van allerlei data de luchtvervuiling in Madrid in beeld brengt, succesvoller zijn wanneer het ook op de een of andere manier de individuele bijdrage (of besparing) van de gebruiker in beeld weet te brengen. In deze observaties schuilt ook een belangrijke theoretische verschuiving. Arendt, Habermas en Sennett betoogden dat het publieke domein gebaat is bij een onpersoonlijk rollenspel waarbij publieksleden hun individuele identiteit tijdelijk afleggen en op basis van gelijken met elkaar om gaan. Ik denk daarentegen dat onder de conditie van een ‘networked individualism’ juist de individuele identiteit en de verschillende rollen die stedelingen vervullen aanknoopingspunten vormen voor het in het leven roepen van een publiek moment.
Samenvattend denk ik – om tot slot nog eenmaal terug te keren naar de wijkgedachte – dat het werk van Lotte Stam-Beese ons nog altijd een belangrijk inzicht biedt. ‘De moderne stad’, schreef zij ‘… zou ruimtelijk zo ingericht moeten zijn, dat er verscheidenheid en afwisseling aanwezig is om aan de zich daarin voortbewegende en aanwezige mens het gevoel van vrijheid van keuze uit vele mogelijkheden te geven.’ Maar daarbij geldt wel een voorbehoud. ‘het niet deel zijn van’, stelt Stam-Beese, moet worden uitgesloten. ‘Wij staan in de ruimte en maken er deel vanuit.’ Daarbij valt een verschil onmiddellijk op tussen de stedelijke conditie van onze tijd en die uit het tijdperk van Lotte Stam-Beese. Wie aan het begin van de eenentwintigste eeuw ‘in de ruimte staat’, maakt er – met dank aan de affordance van mobiele media als territory device – niet ook automatisch meer deel van uit. Een ruimtelijke programmering waarbij verschillende levenswijzen bij elkaar worden gebracht – zoals Stam-Beese deed in haar ontwerp voor Pendrecht- is dan ook niet per se voldoende voorwaarde om een ‘publiek moment’ te creëren waarin de overlap tussen verschillende publieken zichtbaar wordt.
Het vraagstuk van de stedelijke gemeenschap is ook niet langer een vraagstuk dat vooral architecten of planners aangaat. Beleidsmakers, kunstenaars, bouwers van smart-phone apps, aanbieders van gps-navigatiediensten, telecombedrijven, lokale overheden, burgers en consumenten: ze leveren allemaal een bijdrage aan het ontwerp en de invulling van ‘de stad als interface.’ Met dit onderzoek heb ik zo willen laten zien hoe de stedelijke openbaarheid door de opkomst van digitale en mobiele media op een andere manier tot stand komt en wat dat mogelijk betekent voor de manier waarop de stad als gemeenschap functioneert. Ik heb laten zien wat er mogelijk op het spel staat. Digitale media kunnen processen van parochialisering en capsularisering versterken. Er zijn evenwel ook kansen om op nieuwe manieren ‘publieke momenten’ te creëren, bijvoorbeeld door in te spelen op de ontwikkeling van het ‘networked individualism’. Maar hoe in deze nieuwe ’hybride’ stedelijke conditie het ideaal van een democratische stedelijke samenleving precies gewaarborgd kan worden? Dat is aan het begin van de eenentwintigste eeuw niet alleen een filosofische vraag, maar vereist nu allerleerst ook het verder experimenteren met de praktische uitvoering van dit stedelijke ideaal.
[1] De Rotterdamse Burgemeester Oud in het ‘voorwoord’ van Bos, De stad der toekomst, de toekomst der stad: een stedebouwkundige en sociaal-culturele studie over de groeiende stadsgemeenschap p. 5
[2] Ibid.
[3] Ibid.
[4] Boyd, ‘Taken out of Context’.
[5] Townsend, ‘Life in the Real-time City: Mobile Telephones and Urban Metabolism.’ in.
[6] Stam-Beese, ‘Aantekeningen over Pendrecht.’
[7] J. Zittrain, The Future of the Internet: And How to Stop it (Londen: Allen Lane, 2008)., Morozov, The Net Delusion: The Dark Side of Internet Freedom.
Deze post is ook beschikbaar in: Engels
