Studie naar webdocs en ‘interactive storytelling’

Voor het tijdschrift 609 van het Mediafonds verrichte ik een klein onderzoek naar de stand van zaken op het gebied van de ‘webdocs’ – online documentaires.

De hand van de maker

Gepubliceerd in 609 – cultuur en media #9, November 2011. Een verkorte versie verscheen ook op De Nieuwe Reporter.

De interactieve documentaire heeft de laatste paar jaar een opmerkelijke ontwikkeling doorgemaakt. Tot niet zo lang stond bij deze online documentairevorm veelal de kijker centraal. Die zou zijn eigen verhaal kunnen samenstellen, of zelfs onderdeel worden van een community. Maar wanneer we kijken naar de interactieve documentaries die dit en vorig jaar zijn geselecteerd voor IDFA’s Doclab (de competitie die het festival heeft opgezet voor interactieve documentaires), valt juist op dat het vrijwel allemaal ‘auteursprojecten’ zijn. De rol van de kijker is zeker niet uitgespeeld: hij kan hier en daar nog steeds keuzes maken, of mag bijdragen leveren. Maar hij wordt daarbij wel veel dwingender dan voorheen rondgeleid in een online wereld waarin de hand van de maker steeds duidelijk voelbaar is.

Neem Welcome to Pine Point, gemaakt door Michael Simons en Paul Shoebridge (beter bekend als het duo achter het tijdschrift Adbusters). Voor hun interactieve documentaire reconstrueren zij de wereld van het inmiddels van de aardbodem verdwenen Canadese mijnstadje Pine Point. Toen daar twintig jaar geleden de mijn werd gesloten, werd ook het dorpje zelf opgeheven. De huizen werden op vrachtwagens getakeld, en twintig jaar later zijn in het hoge Noorden van Canada vrijwel alle sporen van de tijdelijke mijnbouwnederzetting uitgewist. Behalve natuurlijk in de herinnering van de oud-bewoners. Het dorp leeft nog altijd voort in plakboeken, homevideos en sterke verhalen, als ook op een ‘memorial website’ die wordt bijgehouden door een invalide ex-dorpsbewoner.

Al die elementen worden bij Welcome to Pine Point samengebracht in een interface die zelf ook wel iets van een plakboek heeft. Korrelige homevideo’s volgen op diashows van historische foto’s. Jarentachtig MTV-style videoclips worden afgewisseld met radio- interviews. De makers loodsen de bezoeker er vlot doorheen. Het enige dat de kijker (of beter: de ‘klikker’) hoeft te doen, is zo nu en dan op ‘Next’ te drukken. De opbouw van het verhaal maakt steeds voldoende nieuwsgierig om dat ook daadwerkelijk te doen. Zo voeren de makers de kijker steeds verder terug naar het zorgeloze tijdperk ‘before seatbelts and sunscreen’ dat samenviel met de hoogtijdagen van Pine Point.

Het ‘auteurschap’ van de interactieve documentaire komt daarbij op twee manieren tot uiting. In de eerste plaats is dat de vormgeving van de wereld die de makers hebben geconstrueerd. In Welcome to Pine Point zijn dat de uiteenlopende personages die worden opgevoerd en de animaties en tekeningen die de wereld in een geheel eigen stijl weergeven. In de tweede plaats is dat de interface waarmee de kijker die wereld kan verkennen, die in dit geval gebaseerd is op de metafoor van het plakboek. Bij elkaar leiden wereld en interface tot het gevoel dat de maker de kijker op sleeptouw neemt in zijn wereld. De kijker heeft wel enige vrijheid het tempo en de richting te bepalen, maar ook weer niet al te veel. In de combinatie van wereld en interface ligt ook de zeggingskracht van het project besloten. Het gaat de makers niet om een feitelijke reconstructie van het dorpsleven in Pine Point. Het project gaat ook over de sociale kracht van de gedeelde herinneringen, en over de spanning tussen de herinnering en een feitelijk verleden dat enkel nog via de in het plakboek neergeslagen herinneringen toegankelijk is.

Welcome to Pine Point staat niet alleen binnen de interactieve documentaire. Ook projecten als Highrise, In Situ, Prison Valley, Soldier Brother of This Land zijn nadrukkelijk auteursprojecten. De interactieve mogelijkheden zijn ook bij die projecten eerder subtiel dan overweldigend. Vooral in Frankrijk en Canada maken deze online auteursdocumentaires een periode van bloei door, mede dankzij de financiële steun van organisaties als de National Film Board of Canada, omroepen als ARTE en kranten als Le Monde. ‘In het verleden maakten we hele complexe projecten, met vijf verschillende tijdlijnen, en het idee dat de bezoeker dan wel zijn eigen verhaal zou maken’, zegt David Carzon, hoofd internet bij de Frans-Duitse cultuurzender ARTE. De kijker kon dan zelf een route bepalen door het project, of een eigen montage maken van verschillende clips In theorie was dat een aardige gedachte, in de praktijk misten dergelijke projecten vaak een ‘aandrijvingsmechanisme’: een spanningsboog of spelelement dat de kijker verleidt na twee keer op een filmpje te hebben geklikt, ook nog het derde te bekijken. ‘Kijkers raakten al snel de draad kwijt’, zegt Carzon. Een online project heeft een drijvende kracht nodig, iets dat de kijker voortstuwt door het verhaal heen, dat hem nieuwsgierig maakt naar het volgende onderdeel. ‘Bij ons is dat vaak de visie van de maker’, zegt hij. ‘Zijn visie of idee moet zo prikkelend zijn dat je daar als kijker in mee wilt gaan.’

Het idee van een documentairemaker die een ‘community’ organiseert, lijkt daarbij naar de achtergrond verschoven. ‘Dat zien wij ook’, stelt Erik Heeswijk, hoofd digitaal van de VPRO. ‘Een community is vooral zinvol als de documentaire zelf een activerende boodschap heeft.’ De documentaire Beperkt Houdbaar van Sunny Bergman bijvoorbeeld zette via de televisie de maatschappelijke discussie over ons schoonheidsideaal op scherp. Op de website werd die discussie verder uitgediept, en er werd zelfs actie gevoerd. Voor de meeste documentaires is zoiets niet haalbaar, denkt van Heeswijk. Voor een eenmalig programma van 50 minuten is het simpelweg veel te complex om een hele community op te willen zetten. Bovendien: geen onderwerp zo gek of er is al wel ergens op internet een ontmoetingsplek. De strategie van de VPRO is nu eerder om dergelijke communities via sociale media te mobiliseren.
Dat betekent niet dat projecten die het publiek een belangrijke rol geven, volkomen passé zijn. Maar ook in die categorie neemt de rol van de maker als ‘auteur’ of beter: ‘curator’ toe. Een project als The Burning House bijvoorbeeld (zie kader) roept bezoekers van de site op om die objecten te fotograferen die ze nog snel bij elkaar zouden pakken wanneer ze hun in brand staande huis zouden moeten ontvluchten. Daarbij heeft de maker zelf het esthetische kader bepaald: alleen foto’s van losse objecten tegen een neutrale achtergrond zijn welkom. Ook selecteert hij streng op inhoud. Foto’s die niet voldoen aan zijn esthetische criteria, komen niet op de site.

Ook op het gebied van de vormgeving heeft de interactieve documentaire de afgelopen jaren een belangrijke ontwikkeling doorgemaakt. Die is de laatste jaren (al geldt dat niet voor alle projecten) veel filmischer geworden. De projecten lijken minder dan voorheen op ‘gewone’ websites: pagina’s vol met tekst, foto en filmpjes, achtergrondinformatie over en logo’s van betrokken organisaties. In plaats daarvan begint er vaak gelijk een filmclip of animatie die het thema op een aansprekende manier neerzet, een vraag oproept, of met een persoonlijke ontboezeming van de maker nieuwsgierig maakt naar de rest. ‘Je moet bezoekers niet overvallen met allerlei keuzes, nog voordat ze weten waar het project over gaat’, zegt Rob McLaughlin die tot begin dit jaar directeur digitale content en strategie was bij de National Filmboard of Canada. ‘Je moet het publiek bij de lurven grijpen en ze onmiddellijk meevoeren naar de wereld van het verhaal dat je wilt vertellen.’

Alhoewel filmische en fotografische elementen dus steeds nadrukkelijker aanwezig zijn, is het in – in oude media termen – tegelijkertijd ook lastig te beschrijven waarnaar de kijker precies kijkt bij deze categorie interactieve documentaires. Welcome to Pine Point voelt als een boek waarvan je de bladzijden omslaat, maar dan met geluid en bewegend beeld. En soms als een radio-documentaire met een diashow erbij. Of als een televisieprogramma waarbij de kijker zelf het tempo (maar niet per se de volgorde) mag bepalen. Welcome to Pine Point is nu te zien op het computerscherm, maar het zou op de iPad nog beter tot zijn recht komen. Het is een project dat enerzijds verschillende mediatypen in elkaar over laat vloeien, en tegelijkertijd geheel op zichzelf staat. Er is geen bijbehorende televisieserie, film, game of achterliggende website. Je bekijkt het project op een-en-hetzelfde platform. Nu is dat nog het computerscherm, straks zijn ze ongetwijfeld ook te zien op tablets als de iPad. Of – een andere ontwikkeling waar veel van wordt verwacht maar die vooralsnog niet heeft doorgezet – de ‘connected tv’. Dat houdt in dat je programma’s kunt bekijken op het grote scherm van de televisie, terwijl je vanaf de bank een tablet als de iPad gebruikt om door het programma heen te navigeren.

De interactieve auteursdocumentaire lijkt zich zo (voor een deel) in een andere richting te ontwikkelen dan het televisiedrama. Bij fictieprojecten is op dit moment een specifieke manier van ‘transmediaal’ produceren populair. Met transmedia wordt dan bedoeld dat makers hun verhaal via verschillende media vertellen. Er is een wekelijkse serie op televisie, maar de hoofdpersonen hebben ook een weblog of Twitter- of Hyves-account waarop een deel van de plot wordt onthuld. Of belangrijke clous voor het verhaal zitten verstopt in op Youtube geplaatste commercials van fictieve bedrijven die in de serie voorkomen. Fans van de serie worden uitgedaagd om – vaak in collectief verband – op zoek te gaan naar de verstopte aanwijzingen. ‘Documentaires lenen zich minder goed voor zo’n format’, zegt McLaughlin. Een dergelijke aanpak is vooral geschikt voor langlopende dramaseries, waaromheen echt een fancultuur ontstaat van fanatieke kijkers die alles over hun favoriete karakters willen weten. Natuurlijk betekent dat niet dat interactieve documentaires niet meer aanvullend of in samenhang met televisie-uitzendingen gemaakt worden. Maar wel is het opvallend dat vrijwel alle hier genoemde interactieve documentaires als stand-alone ervaring zijn vormgegeven: je bekijkt ze op één apparaat, en er wordt niet verwacht dat de kijker heen en weer zapt tussen verschillende media.

Wat wel kan, is om binnen zo’n stand-alone online project verschillende genres met elkaar te combineren, zegt Bruno Felix, directeur van Submarine. Voor de VPRO maakte Submarine twee jaar geleden Collapsus, een online documentaire over de toekomst van onze energievoorzieining. ‘We wilden kijken of we een ontoegankelijk onderwerp ‘sexy’ konden maken’, zegt Felix. ‘Fictie leek ons daarvoor een geschikt genre.’ Door het vertellen van een spannend verhaal, wilde Submarine de energieproblematiek inzichtelijk maken. In Collapsus vertaalde zich dat in een interface waarbij de kijker kan schakelen tussen drie schermen. In het middelste venster volgt de kijker een thriller, en wanneer hij wil kan hij naar het linker- of rechtervenster uitwijken. Links kan een game gespeeld worden. Rechts worden fictieve nieuwsuitzendingen over de ontwikkelingen in het gedramatiseerde verhaal vertoond. In die nieuwsuitzendingen zijn fragmenten opgenomen van interviews met deskundigen die zijn geïnterviewd voor een aflevering van Tegenlicht. ‘In een televisie-aflevering zou je nooit zo heen en weer kunnen schakelen tussen fictie en documentaire’, zegt Felix. ‘Online kan dat wel.’ Het hoofdverhaal blijft redelijk lineair, maar binnen de interface kan de kijker heen en weer ‘zappen’ tussen de drie mediavormen spel, fictie en documentaire.

Op de vraag of het publiek enthousiast is over de online auteursdocumentaires lopen de reacties uiteen. De meesten benadrukken dat het vooralsnog om een experimentele fase gaat. Er begint langzaam aan een nieuwe vorm te ontstaan, maar het is nog niet helemaal duidelijk of, hoe en wanneer het grote publiek dat precies zal omarmen. Zijn tablets als de iPad de geëigende omgeving voor deze nieuwe documentairevorm? Of de connected-tv, als die er straks komt? En wie gaat dergelijke projecten eigenlijk aanbieden? Moeten ze als boeken los worden verkocht, bijvoorbeeld in een appstore of als films in een pay-per-view-platform? Is het een nieuwe vorm waarmee kranten hun abonnees kunnen bedienen? Of zouden ze juist via een publiek kanaal toegankelijk moeten zijn?

In Canada heeft de National Film Board besloten zelf dergelijke projecten te produceren en te vertonen op een eigen online kanaal. Daar is inmiddels ook een nieuw publiek gevonden voor de projecten. McLaughlin zegt dat sommige van hun online projecten online nu al evenveel of meer bezoekers trekken dan het traditionele documentaireslot op de Canadese televisie. In Europa ligt dat moeilijker. ‘Je ziet dat in een aantal landen publieke omroepen op internet een terugtrekkende beweging maken’, zegt Caspar Sonnen, curator van het IDFA Doclab. Dat komt deels door de politiek. Dankzij onder meer de lobby van commerciële uitgevers worden de mogelijkheden voor publieke omroepen om op internet innovatieve projecten op te zetten, ingeperkt.

Ook in Nederland is dat inmiddels het geval, erkent Erik van Heeswijk. ‘Voor experimenten als online only documentaires is het nu wel roeien tegen de stroom in.’ Toch wil de VPRO er mee door. ‘Nederland liep als documentaireland altijd voorop’, zegt Bruno Felix, ‘De Nederlandse documentaires gaan de hele wereld over, en het belangrijkste documentairefestival ter wereld vindt plaats in Amsterdam. Het zou mooi zijn als we die voortrekkersrol ook op het gebied van de online documentaire zouden kunnen spelen.’

 Voorbeelden van projecten, geselecteerd voor IDFA Doclab 2011

In Situ

http://insitu.arte.tv/

Providence / ARTE

 

In Situ is een documentair project in de traditie van vroeg twintigste-eeuwse experimentele city symphonies als Berlin – Die Sinfonie  der Großstadt. Ritmisch en poëtisch gefilmde sfeerbeelden van de hedendaagse stad (onder meer Berlijn en Parijs) worden dit keer afgewisseld met korte documentaires van kunstenaars en activisten die van de stad hun werkterrein hebben gemaakt. Het project is zeer filmisch van opzet, met een lineair verloop. Wie wil kan zich online bij In Situ ‘ouderwets’ zonder klikken mee laten voeren van een begin tot een eind. Het zijn de atmosferische beelden en muziek die het project dragen, en de interactie is met opzet bescheiden. Toch voegt die wel wat toe. Enerzijds maakt de tijdlijn onderin beeld het mogelijk de film te versnellen (skip naar de volgende scene) of te vertragen (een extra uitstapje naar het werk van de kunstenaars). Anderzijds zijn er af en toe subtiele interactieve elementen die het idee van de stadsymfonie moeten versterken. In een scene in de metro kun je bijvoorbeeld op de hoofden van verschillende reizigers klikken om hun gedachtes te beluisteren. Zo worden ook de veelstemmige subjectieve ervaringen van de stad in een mooi ritme gevangen. Grootser opgezet is een community-portal die rond het project zou moeten ontstaan. Iedereen mag op een kaart zijn eigen artistieke interventies toevoegen. Langzaam begint die nu vol te lopen met foto’s en filmpjes met voorbeelden van ‘kunst-in-de openbare-ruimte’ uit heel Europa.

 

Soldier Brother

http://soldierbrother.nfb.ca/

National Fillm Board of Canada

 

Soldier Brother begint met de stem van Kaitlin Jones, Zij is een kunstenares uit Toronto, wier broer is uitgezonden op een militaire missie naar Afghanistan. Terwijl het beeldscherm zich langzaam vult met een aantal voorwerpen die aan haar  afwezige broer herinneren (een skateboard, een doos sigaren, een scheerkwast, zijn verzameling single malt whisky’s), vertelt Jones hoe haar broer op 10-jarige leeftijd al jacht maakte op eekhoorns met het pistool van haar vader. Daarna kan de kijker zelf de verschillende voorwerpen onderzoeken. Een klik – die bijna voelt alsof je het object even oppakt en van dichtbij bekijkt – brengt het voorwerp dichterbij en leidt tot steeds een nieuwe herinnering van Kaitlin aan hun gedeelde jeugd. Mooi is dat de bekeken voorwerpen daarna uit het tableau verdwijnen. Zo onderstreept de interface hoe de herinneringen langzaam vervagen, en krijgt de kijker ook het gevoel ‘voortgang’ te maken in het project: op een gegeven moment is het scherm leeg en is de voorstelling afgelopen. Dwars door het bekijken en beluisteren van de aan de voorwerpen gekoppelde herinneringen, speelt zich nog een lineair verhaal in het heden af. De kijker wordt deelgenoot gemaakt van  een langzaam op gang komende stroom aan sms en facebook-berichten tussen Toronto en het Afghaanse legerkamp. Je wordt hier zelfs heel direct bij betrokken: op een gegeven moment vraagt Kaitlin de kijker zijn mobiele telefoonnummer in te voeren, omdat ze een ‘luisterend oor’ nodig heeft. Daarmee verlegt het verloop van het verhaal zich van het computerscherm naar de meer intieme omgeving van de mobiele telefoon.

 

The Burning House

http://theburninghouse.com/

Foster Huntington

 

Je huis staat in brand en de rook kringelt al onder de slaapkamerdeur door. Je kunt nog snel twee of drie voorwerpen bij elkaar grissen, voordat je je huis uitrent om je zelf in veiligheid te brengen. Wat neem je mee? Die wat clichématige vraag levert bij het als weblog vormgegeven The Burning House een mooie reeks zorgvuldig gestileerde foto’s op. Intrigerend zijn de subtiele verschillen in de inhoud van deze foto’s. Die varieert van emotionele items als teddyberen en de ‘broche die nog van oma is geweest’ via moderne incarnaties van neergeslagen persoonlijke herinneringen (de ipod en de laptop verdringen langzaam aan het foto-album) tot triviale items als een aansteker en een pakje sigaretten. En uiteraard vergeet niemand zijn of haar poes. De foto’s zijn bijdragen van lezers van het blog. De kracht van het project zit in de restrictie die de maker zichzelf en zijn publiek oplegt: alleen foto’s van een beperkt aantal voorwerpen tegen een neutrale achtergrond zijn welkom. Zo is de rol van de maker vooral die van de curator: niet alle foto’s worden ook automatisch geplaatst, alleen diegenen die aan zijn esthetische criteria en visuele concept voldoen. De maker reist momenteel zelf in een oude VW-bus door Amerika om ook de bezittingen te fotograferen van mensen die niet zo digitaal onderlegd zijn dat ze vanzelf een foto zouden uploaden. Uiteindelijk moet het project weer uitmonden in een fotoboek.

 

Farewell Comerades

http://farewellcomrades.tv/

Gebrueder Beetz

 

De website van Farewell Comerades is onderdeel van een grootschalig Europees crossmediaproject over de geschiedenis van Oost-Europa onder het communisme. Naast de website staan er vanaf dit najaar een televisieserie, een boek en een tentoonstelling op het programma. De website zelf toont een reeks ansichtkaarten die in het voormalige Oostblok zijn verstuurd tussen 1975 en 1991. Sommige hebben een revolutionair thema: een schets van voormalig Soviet-leider Lenin of een modern regeringsgebouw in Kiev met fier wapperende rode vaandels ervoor. Maar er zitten ook vakantiekaarten tussen die de schoonheid van de socialistische natuur laten zien (ruige bergketens met besneeuwde toppen, al dan niet met skiënde kameraden erop). Wie op de kaarten klikt, ziet de persoon aan wie de kaart is gestuurd, en een kort videoportret van deze persoon. Ook kun je grasduinen in zijn of haar persoonlijke archief: oude foto’s, filmpjes, en documenten uit de communistische tijd. Door de kaarten, foto’s en filmpjes te bekijken ontstaan zo langzaam een beeld van het alledaagse leven achter het IJzeren Gordijn. De kaarten zijn bovendien gelinkt aan historisch archiefmateriaal uit dezelfde periode. Er is geen verhaal- of spelmechanisme dat het online project als geheel voortstuwt. De makers hopen dat de kaarten en de erbij behorende persoonlijke verhalen de kijker vanzelf nieuwsgierig maken. Wel bieden de ansichtkaarten weer volop mogelijkheden om de content te delen via sociale media.

 

Beyond 911

http://www.time.com/time/beyond911

Time Magazine

 

Tien jaar na ‘elf september’ pakt Time Magazine online groots uit met een uitgebreide verzameling interviews met bij de aanslagen betrokken personen. Deze reeks gesprekken wordt ontsloten met een raster dat is opgebouwd uit tientallen krachtige, contrastrijke zwart-wit portretten op pasfotoformaat. Aan hun uniformen en maatpakken herken je gelijk een aantal ‘archetypische’ rollen uit dit historische drama: brandweermannen, soldaten (al dan niet met geamputeerde ledematen), CEO’s van financiële dienstverleners. Tussen deze onbekende Amerikanen valt je oog zo nu en dan opeens op een beroemd gezicht: ook hoofdrolspelers als Donald Rumsfeld en George W. Bush leenden zich voor dit project. Het raster is zo opgebouwd dat de portrettenreeks buiten het browserscherm doorloopt, wat een gevoel van oneindigheid bewerkstelligd. Toch leidt dat hier niet tot een gevoel van onoverzichtelijkheid. In de interface zijn een aantal slimme ‘montagetrucjes’ ingebouwd. Om te beginnen staan de beroemdheden niet centraal in het project. Hun portretten zitten ‘verstopt’ tussen die van de gewone Amerikanen, en dat verleidt de kijker de hele galerij af te speuren (Obama! Giuliani!) Ook wordt de kijker niet helemaal aan zijn lot overgelaten. Hij mag dan steeds zelf kiezen welk portret hij aanklikt, maar wie de portrettengalerij voor het eerst opent, ziet de ‘zoeker’ gecentreerd op het portret van Valerie Plame Wilson. Zij is de voormalige CIA-agente wiens identiteit opzettelijk werd gelekt door medewerkers van het Witte Huis. ‘We zijn meegesleept in een oorlog die niet in ons belang is’, stelt Plame in haar interview, waarin ze zeer kritisch is op zowel de Amerikaanse overheid als de media. Daarmee is de toon gezet, en wordt de kijker uitgedaagd om aan de hand van de andere interview-fragmenten (van de uiteenlopende archetypes en de hoofdrolspelers) zijn eigen positie te bepalen.

 

 

Date
This entry was posted on Sunday, November 27th, 2011 and is filed under Nieuwe Media & Storytelling, Nieuws, Publicaties.